Visietekst 2019 -2020

Inleiding

Deze tekst is bedoeld als inleiding op het onderwijskwaliteitskader van onze school. Hij beoogt dus geen volledigheid maar wil wel de intentie van de directie vertolken voor het komende jaar. De tekst zal aan alle geledingen bezorgd worden met de uitdrukkelijke vraag hem aan te vullen, te concretiseren of te amenderen. Het is dus eerder een ‘cyclisch’ document. De tekst zal elk jaar aangepast worden aan de veranderende omstandigheden. Ten slotte is hij ook bedoeld als inleiding op andere visieteksten over deelaspecten van het beleid en op de uitvoeringsteksten van de respectievelijke vakgroepen. Alleen in samenhang met alle andere teksten kan men zo tot een globaal beeld komen.

Inhoud visietekst:

1. Studiepeil en pedagogie

2. Welbevinden en schoolorganisatie

3. Toekomstplannen en bouwprojecten

4. Duurzaamheid, diversiteit en spiritualiteit en cultuur

  1. STUDIEPEIL EN PEDAGOGIE

We beschouwen het bereiken van een zo hoog mogelijk studiepeil van al onze leerlingen als de eerste prioriteit van onze school. De minimumdoelstelling is het bereiken van de eindtermen en de respectievelijke leerplannen. Het streven naar studie-excellentie behoort tot een aloude traditie van onze school en we zien geen reden waarom dit in de toekomst anders zou moeten zijn.

We merken dat veel van onze leerlingen en ouders dit streven beamen en dat dit een van de belangrijkste redenen blijft waarom ouders hun zoon of dochter naar onze school sturen. In ons pedagogisch project wordt dit streven verwoord onder de hoofding ‘uitdagen tot meer’. We zijn ervan overtuigd dat de oproep tot inzet en het uiten van een grote verwachting beantwoorden aan een diep geworteld verlangen van vele jongeren om het beste van zichzelf te geven en zichzelf te overtreffen. Als we weinig verwachten zullen we ook weinig terugkrijgen.

Om dit doel te bereiken moet aan een aantal voorwaarden voldaan worden :

  • De school wenst in te zetten op intrinsieke studiemotivatie, d.w.z. dat het louter behalen van een voldoende of een louter cijfermatige motivatie niet de bovenhand mogen halen. Op verschillende manieren wil de school proberen de focus te leggen op de inhoud van de studie en wil ze proberen zo veel mogelijk de inhoudelijke interesse voor de leerstof te wekken en te stimuleren.
  • Vanuit haar christelijk-humanistische traditie gelooft de school in het belang van élk vak. Elk vak draagt in zich de mogelijkheid om op een specifieke manier naar de werkelijkheid te kijken en ze verder te ontdekken. Er kan zodoende geen hiërarchie tussen de vakken bestaan. De directie roept iedereen op om op dit gebied complementair te denken en te handelen.
  • Het is belangrijk dat de aangebrachte leerstof niet alleen geleerd maar ook effectief verwerkt wordt. Met een hoog studiepeil bedoelen we geenszins het opslaan van zo veel mogelijk leerstof maar eerder de gestage innerlijke verwerking ervan. Ignatius formuleerde dit in zijn bekend geworden adagium ‘non multa sed multum’. Dit betekent dat – naarmate de leerlingen opgroeien – de leerstof ook onderwerp van gesprek, discussie en verdieping mag worden. Een gezonde kritische geest is eerder aan te moedigen dan af te remmen.
  • Met een hoog studiepeil bedoelen we eveneens het behouden of verwerven van een globale visie op de wereld, de vaardigheid om complexere teksten of vraagstukken te analyseren en de bekwaamheid om deze analyse op andere domeinen toe te passen en in het algemeen bedoelen we het aanwakkeren van de nieuwsgierigheid om de leerstof uit te breiden en te verdiepen.     
  • Een cruciale voorwaarde bij dit alles blijft de bereidheid van elke leerling om zijn of haar studies ernstig te nemen en om dagelijks voldoende tijd te spenderen aan de studie. De verantwoordelijkheid voor het welslagen van de studies ligt dus in de allereerste plaats bij de leerling zelf.

Het volstaat echter niet om leerlingen uit te dagen; ze dienen ook aangemoedigd en bemoedigd te worden, vooral als ze het moeilijker hebben. Een cultuur van uitdaging heeft maar zin als ze hand in hand gaat met een cultuur van aanmoediging en begeleiding. Ignatius noemde dit de ‘cura personalis’, een andere grondpijler van zijn pedagogie. De school wil dus nog meer dan voorheen inzetten op de inhoudelijke en psychologische begeleiding van leerlingen die om uiteenlopende redenen studieachterstand oplopen.  De school wil de leerlingen helpen om een geschikte studiemethode te ontwikkelen, om tijdelijke inertie te overwinnen en naar best vermogen begripsvol te luisteren naar dieperliggende oorzaken van het eventueel falen in de studies. De school wil verder haar expertise verruimen inzake veel voorkomende uitdagingen zoals bijvoorbeeld hoogbegaafdheid, dyslexie of leerlingen met een hogere graad van autisme. De ervaring leert dat dit heel goed mogelijk is : élke leerling is veel meer ‘een kans om samen te groeien’ dan ‘een handicap die overwonnen moet worden’. In dit kader past ook een grotere aandacht voor leerlingen met een taalachterstand, al dan niet veroorzaakt door het feit dat het Nederlands niet de thuistaal is.

Hoe meer we van onze leerlingen verwachten of eisen, des te meer dragen we dus de medeverantwoordelijkheid om hen daarbij te helpen, aan te moedigen en bij te staan. De tijd dat een school zich te gemakkelijk tevreden kon stellen met een vorm van afvallingskoers waarin alleen de sterksten de eindmeet haalden, moet definitief achter ons liggen. Het zou ten slotte goed zijn mochten we ons met ons allen evenzeer verheugen om een leerling met een moeilijkere beginsituatie die toch een mooi eindresultaat behaalt als om leerlingen die vanuit een gemakkelijkere beginsituatie in hun studies uitblinken. We blijven m.a.w. leerprestaties heel belangrijk vinden maar in dezelfde mate ook leerwinst voor élke leerling die de ouders aan onze school toevertrouwen.

Hoewel de lessen en de examens de geprivilegieerde tijden van kennisoverdracht en van evaluatie zijn en blijven, merken we dat er ook vele andere tijden zijn waarin leerlingen hun algehele motivatie aanscherpen. Het behoort evenzeer tot de traditie van onze school om alle activiteiten aan te moedigen die de leerlingen enthousiaster maken en die hun horizont verruimen. We denken hierbij met name aan internationale uitwisselingsprojecten, aan koor en orkest, aan de olympiades, aan sport- of cultuurevenementen of aan bezinningsdagen. De school wil immers ‘de héle mens’ ontwikkelen zoals Ignatius het uitdrukte. Hoewel de school kritisch moet blijven ten opzichte van elke lesdoorkruisende activiteit, beseft ze dat veel van deze projecten een meerwaarde betekenen voor de leerlingen en dat ze kunnen bijdragen aan de intrinsieke motivatie waarvan reeds sprake was. Ook hier is een complementair denken wenselijk en noodzakelijk.

Het beogen van een zo hoog mogelijk studiepeil staat niet los van de hoop dat onze leerlingen hun talenten niet alleen voor hun eigen doeleinden zouden ontwikkelen maar evenzeer voor anderen en in het bijzonder voor al diegenen in onze maatschappij die ons het meest nodig hebben. Studeren op een jezuïetencollege  zou dus ook altijd een ‘social learning’ moeten zijn : het verlangen én de bekwaamheid om zich effectief in te zetten voor anderen. De school zal hiertoe de vele sociale en pastorale initiatieven actief ondersteunen, o.m. via het zogenaamde sociale project maar ook door het ontwikkelen van een sociale leerlijn gedurende het hele schoolcurriculum. Bovendien wenst de school dit sociaal bewustzijn te ondersteunen binnen de lessen zélf, in het bijzonder bij al die gelegenheden waarin onderwerpen als milieubewustzijn, diversiteit en sociale rechtvaardigheid aan bod komen.

Onze school heeft een lange traditie van pedagogische pluraliteit, d.w.z. dat er altijd al een groot vertrouwen heerste in de competentie van de individuele leerkracht om op haar of zijn specifieke manier de leerstof aan te brengen. De school gelooft inderdaad niet in één zaligmakende pedagogische methode en ze wenst ook in de toekomst geen afbreuk te doen aan deze traditie en dit grondvertrouwen. Wel zal de school op constructieve wijze leerkrachten aanmoedigen om nog meer samen te werken dan voorheen. Ze moet er ook over waken dat het slagen van een leerling nooit louter afhankelijk mag zijn van de respectievelijke leerkracht maar wel op het al dan niet bereiken van de doelstellingen van het leerplan. Met dit doel voor ogen is het de taak van de directie om desnoods meer sturend te zijn en de vakgroepen in die richting aan te moedigen. 

De directie wil ook expliciet open staan voor collega’s die op een doordachte wijze innovaties in de pedagogie willen uitproberen of wetenschappelijk onderbouwde bevindingen in de praktijk willen omzetten. Dit geldt in het bijzonder voor de snelle digitale evoluties en in de naaste toekomst ook voor de mogelijkheden die de artificiële intelligentie zou kunnen bieden. Door de installatie van een performante backbone en de aankoop van Chromebooks in de afgelopen jaren is hiertoe zeker een kader gecreëerd. Elk lokaal kan nu een digitale ruimte zijn en in het algemeen gesteld staan we op dit vlak nog maar aan het begin van een onstuitbare evolutie. Zoals uit de visietekst over ICT-pedagogie moet blijken, moet deze evolutie altijd met de nodige kritische zin begeleid worden; niet alles wat kan is ook nuttig of noodzakelijk.  

De school zal verder inzetten op acties die drugsgebruik en alcoholmisbruik tegengaan. Zij doet dit aan de hand van een reeks van voordrachten die over het schooljaar verspreid zijn en aan elke leeftijdstroep worden aangepast. Elk initiatief dient ook in de toekomst te worden geëvalueerd. Ook acties tegen pestgedrag en voor een doordacht gebruik van sociale media blijven zeker actueel.

Voor een verdere uitwerking van het aspect studiepeil en pedagogie verwijzen we naar de respectievelijke vakgebonden teksten binnen het onderwijskwaliteitskader en de respectievelijke beleidsdomeinen.

  1. WELBEVINDEN EN SCHOOLORGANISATIE

We zien geen tegenstelling tussen welbevinden en goede studieresultaten. We geloven eerder dat een welbevinden van leerlingen en leerkrachten de studies ten goede kunnen komen.

Voor het welbevinden van de leerlingen zien we o.m. de volgende voorwaarden :

  • Het is belangrijk dat een leerling zich gerespecteerd voelt, dat hij een initieel en gratuït vertrouwen voelt in zijn of haar goede bedoelingen, dat hij met zijn vragen terecht kan en dat hij zowel uitgedaagd als aangemoedigd wordt. Daarom wordt aan de leerkrachten met aandrang gevraagd om denigrerend taalgebruik in alle omstandigheden achterwege te laten en geen uitspraken te doen die iemand in algemene of toekomstgerichte termen vastpint. Corrigerende uitspraken gebeuren het best momentaan en concreet. Na een eventuele bestraffing moet de bladzijde vanwege de leerkracht ook omgeslagen kunnen worden.
  • Het is belangrijk voor het welbevinden van de leerlingen dat er voldoende activiteiten zijn waarin ze zich kunnen uitleven. Dit is voor een centrumschool als de onze met een opvallend tekort aan gemeenschappelijke open ruimte extra belangrijk. Een te repressieve beoordeling van jeugdige levendigheid zal eerder contraproductief werken; een school kan immers noch een kazerne noch een bejaardentehuis zijn.  
  • Het pedagogisch project van onze school voorziet een ‘veilig schoolklimaat’. Di betekent dat elke vorm van pestgedrag ernstig moet genomen worden en dat hierop onmiddellijk moet gereageerd worden. In het algemeen merken we dat een te groot aantal leerlingen de tendens hebben om onbehouwen of grof met mekaar om te gaan. Die onbeleefdheid – die in sommige gevallen als hautain of arrogant overkomt - merken we soms ook naar leerkrachten en onderhoudspersoneel toe. We zijn van oordeel dat deze gedragingen en taaluitingen in de toekomst ernstiger moeten opgevolgd en gecorrigeerd worden, ook als dit betekent dat we aan al te recalcitrante leerlingen duidelijk moeten maken dat er voor hen niet langer plaats is op onze school. In een school kan immers nooit de wet van de sterkste gelden. Dit alles geldt in een nog meer uitgesproken wijze voor alle gedragingen of taaluitingen die een ronduit racistisch karakter hebben of indruisen tegen de expliciet positieve houding van onze school ten opzichte van alle vormen van diversiteit.
  • In meer positieve termen gesteld wenst de school alle activiteiten te ondersteunen die de sfeer en het welbevinden van de leerlingen ten goede komen. We denken met name aan sportevents, een cultuurweek, uitstappen en reizen, uitwisselingen, koor, orkest, het bijwonen van theater of concerten en talloze andere initiatieven. Deze veelheid aan positieve initiatieven wenst onze school van harte te ‘borgen’ en verder aan te moedigen.
  • Tot het welbevinden van de leerlingen behoort ook een realistische en weloverwogen taaklast. We geloven dat leerlingen die hun studies ernstig nemen meer dan voldoende werk hebben maar ook dat ze op sommige momenten van het schooljaar overstelpt worden door taken die - al dan niet in kleine groepen - buiten de lessen om moeten afgewerkt worden, bovenop het dagelijkse pensum aan zich opstapelende leerstof. Het verdient aanbeveling om hierbij in de toekomst meer vakoverschrijdend na te denken en een meer globale visie te ontwikkelen.
  • Ten slotte zijn leerlingen gebaat bij boeiende en goed voorbereide lessen. Zij zijn ook gevoelig voor leerkrachten die op een persoonlijke en inhoudelijk sterke manier ‘een verhaal kunnen vertellen’ en hen met een opgewekte, geduldige of enthousiaste wijze tegemoet gaan. Niets is zo wervend als inhoudelijk geschraagd optimisme.

Ook voor het welbevinden van de leerkrachten gelden een aantal voorwaarden :

  • Net als voor de leerlingen geldt ook voor leerkrachten dat een ‘veilig schoolklimaat’ cruciaal is. We zijn in deze context van oordeel dat het ‘tuchtprobleem’ op onze school ondanks een aantal positieve pogingen en signalen nog altijd geen afdoend antwoord heeft gekregen. De directie wil daarom met strakkere afspraken, een duidelijker organigram en met een personele versterking dit probleem opnieuw aanpakken en cyclisch blijven evalueren. Deze reorganisatie moet bij het begin van het schooljaar 2019-2020 in voege treden. Ook wenst de school de aanvangsbegeleiding van jonge leerkrachten te versterken, mede met behulp van de enkele extra uren die de overheid ter beschikking zal stellen.
  • Het is eigen aan het onderwijs dat de taakbelasting niet evenredig over het hele jaar verspreid is : leerkrachten hebben verhoudingsgewijs meer vakantie, maar in de andere tijden van het jaar is het werk erg geconcentreerd. Dit leidt bij een groeiend aantal leerkrachten tot chronische oververmoeidheid, veelal op het einde van een langere lescyclus, bijvoorbeeld in de aanloop naar de krokus- of paasvakantie. Deels kan de directie dit reëel probleem opvangen door een meer doordachte taakverdeling tijdens de examenperiodes maar we vermoeden dat ook de toenemende eisen vanwege de overheid – in weerwil van de vele beloftes ter zake – ook tot dit gevoel van overlast bijdragen. We denken hierbij aan de toenemende vraag naar differentiatie, de groeiende noodzaak aan individuele begeleiding, de toenemende eisen inzake rapportering en evaluatie, de toenemende bewijslast vanwege de overheid en de toenemende juridisering van eindevaluaties en tuchtdossiers. Bovendien wordt van leerkrachten verwacht of verhoopt dat ze zich engageren voor het bredere schoolgebeuren. Niet altijd is de maatschappij zich bovendien bewust van het vele – vaal pro deo -werk dat leerkrachten verrichten waardoor het gevoel van algehele miskenning of onderschatting kan opkomen. Ten slotte merken we – vaak bij de meest toegewijde leerkrachten – een tendens tot perfectionisme waardoor deze leerkrachten de eisen van buitenaf nog onbewust versterken door de ‘slopende eisen van binnenuit’.  Het is voor de directie belangrijk dit probleem te onderkennen en niet te minimaliseren. Waar ze kan moet ze gerichte maatregelen nemen, ze dient regelmatig het geleverde werk naar waarde te schatten en die waardering zowel collectief als individueel uit te spreken, ze dient eveneens te waarschuwen voor perfectionisme – ‘perfectie is immers de vijand van het goede’ –  en ze dient zich – daar waar het billijk is – solidair op te stellen met de talloze geëngageerde leerkrachten. Bovendien  moet ze erover waken haar leerkrachten geen onnodige lasten op te leggen.
  • Een goede positieve verstandhouding tussen leerkrachten onderling en tussen leerkrachten en directie bevordert in hoge mate het schoolklimaat en komt iedereen ten goede. Een habitueel opgewekt en vertrouwvol klimaat waarin ook ruimte is voor ontspanning en humor zal het vele werk verlichten en aangenamer maken. Hier is zeker ook de grondregel van Ignatius bij het begin van zijn Geestelijke Oefeningen van toepassing : ‘Laat ik eerder proberen de mening van de ander goed te begrijpen dan haar meteen te veroordelen’. In een open en constructief schoolklimaat moeten leerkrachten en directie ongedwongen bij mekaar te rade kunnen gaan en zich wederzijds gesteund weten, in het bijzonder in moeilijke momenten.      

Tot de algemene schoolorganisatie behoort ook een realistisch en regelmatig bijgewerkt organigram dat o.i. nog te weinig bij alle betrokkenen bekend is. Hierover dient in de toekomt helderder te worden gecommuniceerd.

De school verheugt zich in een zeer betrokken en geëngageerde Raad van Bestuur. Haar invloed en werking is bij velen echter nog vaak onderbelicht en onbekend. De directie heeft zich bij herhaling gesteund gevoeld door de Raad van Bestuur, in het bijzonder bij moeilijke personele dossiers maar ook bij de realisatie van strategische opties zoals bijvoorbeeld bij de vele renovatiedossiers of bij de geplande uitbreiding van de school naar de gebouwen van de Oude Abdij van Drongen. In de afgelopen jaren heeft de Raad van Bestuur een aantal belangrijke wissels op de toekomst getrokken. In de komende jaren wenst de directie via constructief overleg de vele engagementen – met niet onaanzienlijke financiële consequenties - nauwgezet te begeleiden en te realiseren. Met name wat de bouwprojecten betreft, hoopt de directie dan ook van harte dat de school er binnen drie jaar merkelijk mooier en verzorgder mag uitzien. De directie beschouwt dit als haar eerste prioriteit en heeft dit herhaaldelijk aan de Raad van Bestuur kenbaar gemaakt.

De school gaat respectvol om met haar ondernemingsraad; ze is hier openhartig in haar communicatie en apprecieert de constructieve vertrouwelijkheid van al haar leden. Dit geldt evenzeer voor het CPBW dat in goede handen is en ook door externe partners naar waarde wordt geschat.

De school uit haar grote erkentelijkheid voor de werking van de oudervereniging die maandelijks samenkomt en op een autonome wijze belangrijke aanbevelingen formuleert en door vele acties bijdraagt tot een beter schoolklimaat. Toch is de oudervereniging slechts een afvaardiging van alle ouders en de school beseft o.i. nog te weinig dat ze alle ouders – al dan niet via de oudervereniging – nog meer kan en moet betrekken bij haar beleid. Alle ouders zijn immers de éérste opvoeders van hun kind en hun rol bij de opvoeding is onvervangbaar en onvervreemdbaar. Hoewel de school reeds sporadisch over haar beleid communiceert, kan dit in de toekomst zeker nog meer gebeuren, o.m. via open beleidsteksten of n.a.v. het onderwijskwaliteitskader. Een school kan er nooit helemaal zeker van zijn dat de ouders haar visie op pedagogie kent of onderschrijft maar de mogelijkheid daartoe dient in de toekomst meer aangeboden te worden.

De school is erkentelijkheid verschuldigd aan de moedervereniging die volgend jaar haar zestigjarig bestaan viert. Deze vereniging van thuiswerkende vrouwen heeft als belangrijk actiepunt de organisatie van een uitgekiende en kwalitatief hoogstaande lezingenreeks. In een recent gesprek met de voorzitster is afgesproken dat deze lezingen een bredere bekendheid zouden krijgen en dat op de Scola Brevis (1 september) aan alle leerkrachten een overzicht van deze lezingen wordt meegeven opdat leerkrachten én leerlingen ze kunnen bijwonen.    

De school heeft ook een leerlingenraad die door middel van verkiezingen is samengesteld. De leerlingenraad is een aanspreekpunt voor de leerlingen, organiseert velerlei evenementen en lezingen. Ze functioneert ook als aanspreekpunt voor de directie. De school stelt zich de vraag of door het herinvoeren van klasafgevaardigden de betrokkenheid van de leerlingen bij het schoolbeleid niet versterkt zou kunnen worden. Vanuit een aantal recente ervaringen denkt de directie dat bij een aantal belangrijke evenementen de leerlingenraad nog meer steun verdient en dat een strakkere regie noodzakelijk is om wrevel en ongelukkige omstandigheden te vermijden. De algemeen directeur is bereid ook zijn deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen.

Onze school beschikt niet over een lerarenraad, noch over een pedagogische raad of een forum waarin leerkrachten onderling of in direct contact met de directie over aangelegenheden van de school kunnen communiceren. We vermoeden dat dit vooral te maken heeft met negatieve ervaringen in een verder en nabij verleden. Misschien heeft onze school in de afgelopen dertig jaar zelfs nog nooit een goed functionerende pedagogische raad gekend…. Om die reden beperkt de directie zich tot thema-avonden waarin vrijelijk over een strikt afgebakend en vooraf afgesproken thema kan gedebatteerd worden. De directie probeert wel door regelmatige schriftelijke communicatie helder over haar beslissingen te communiceren; ook staat ze open om haar visieteksten te laten aanvullen en te amenderen. Er bestaan ook vele ad hoc vergaderingen waarin met een aantal collega’s over specifieke vraagstukken overlegd wordt. Ten slotte is het voor de directie een prioriteit om dagdagelijks en voor iedereen aanspreekbaar te zijn. Vele collega’s maken hiervan gebruik wat de facto ook een vorm van beleidsparticipatie betekent. De directie neemt inzake de oprichting van een pedagogische raad geen principieel standpunt in maar staat open voor eventuele nieuwe voorstellen.

We vermelden nog de scoutsbeweging die op onze school een thuishaven heeft en elke zaterdag voor talloze activiteiten zorgt die de cohesie van haar leden versterkt en ten slotte de schoolraad die onder deskundige leiding drie maal per jaar het schoolreglement onder de loep neemt en na interne discussies t.a.v. het schoolbeleid adviezen formuleert.      

De directie neemt ook deel aan de maandelijkse samenkomsten van de directies van de jezuïetencolleges. Hier worden vooral overkoepelende aspecten van de schoolwerking besproken. De samenkomsten hebben als belangrijk doel om de eenheid van alle ignatiaanse scholen te versterken en om de realisatie van het gemeenschappelijk project te stimuleren. Van hieruit groeien vaak schooloverstijgende initiatieven zoals recentelijk nog bij de invoering van de onderwijshervorming. 

Ten slotte is er de maandelijkse samenkomst van de scholengemeenschap – Edith Stein – waar onze school deel van uitmaakt. De impact en het belang van de scholengemeenschap is bij vele leerkrachten allicht nog te weinig bekend. In de laatste jaren is de verstandhouding tussen de deelnemende scholen sterk verbeterd en de concurrentiesfeer sterk afgezwakt. Getuige daarvan de regelmatige samenkomst van de directies van de vier ASO-scholen die in een open en constructieve sfeer discussiëren over de lokale schoolproblematiek. Deze samenkomst heeft al vaak tot gemeenschappelijke beslissingen en afspraken geleid, inclusief bij personeelsaangelegenheden. Onze school wil graag op deze ingeslagen weg verdergaan, ook bij de nakende oprichting van nieuwe scholengemeenschappen. Soms ontstond wel de indruk dat de samenwerking tussen directies gemakkelijker verliep dan tussen de respectievelijke Raden van Bestuur, al heeft dit mogelijks te maken met de vaststelling dat op hoger niveau de beslissingen ook grotere consequenties hebben.  

  1. TOEKOMSTPLANNEN EN BOUWPROJECTEN

De laatste jaren is er sterk geïnvesteerd in een nieuwe kleuterschool en een totaal vernieuwde basisschool. Noodgedwongen bleven de gebouwen van de humaniora wat verweesd achter al dienen we wel de renovatie van de patersvleugel en van de oude paterszolder te vermelden.

Een gevolg van deze investeringsachterstand - wat de gebouwen van de humaniora betreft - is een schoolgebouw dat smeekt om vernieuwing. Op sommige plaatsen van de school wordt een rondleiding voor ouders ronduit gênant. Bij de open schooldag werd een groot gedeelte van de school dan ook met een rood-wit lint afgezet en feitelijk ontoegankelijk verklaard. Op andere plaatsen is de geurhinder ontoelaatbaar en op nog andere plaatsen oogt de school verwaarloosd, onfris en slordig. Een groot deel van de huidige schoolinfrastructuur beantwoordt dus niet langer aan de goede reputatie die de school op het gebied van studieresultaten behaalt – getuige daarvan het meest recente PISA-rapport).

Daarom heeft de directie aan de Raad van Bestuur gevraagd om een grondige renovatie van de twee verdiepingen aan de kant van de Ketelvest door te voeren en tevens van de twee grote traphallen. De Raad van Bestuur heeft hiermee ingestemd en als de subsidiedossiers niet te lang op zich laten wachten kan met de werken begonnen worden tijdens de zomer van 2020. Eens de werken klaar zijn, kan de school er weer veel beter uitzien wat ook het welbevinden van iedereen ten goede moet komen.

Een  ander groot project is de restauratie van de collegekerk (fase 1) en vervolgens de herinrichting ervan (fase 2). De werken van de fase 1 zullen twee jaar duren en starten allicht in de loop van het schooljaar 2019-2020. Volgens de huidige plannen zou de ruimte van de kerk grotendeels behouden blijven en dienst kunnen doen voor o.m. een studieruimte maar ook voor allerhande andere activiteiten. Het koorgedeelte zou als bezinningsruimte dienst kunnen blijven doen. De finale herinrichting van de kerk zou het mogelijk moeten maken om in de school zelf extra ruimte vrij te maken.

De juridische perikelen rond de Maeterlinckzaal lijken stilaan opgelost waardoor vanaf nu met de inkleding en afwerking van de zaal kan gestart worden. Naast theaterzaal zal de zaal ook dienen als studiezaal of examenruimte en bij bijzondere feestelijkheden of lezingen. Misschien kan in afwachting dat de kerk afgewerkt is, de muzenzaal dan als studieruimte dienen en kan dan de huidige ‘Stex’ tot twee grote klaslokalen omgevormd worden.

Inmiddels heeft de Vlaamse overheid het subsidiedossier goedgekeurd dat onze school zal toelaten om de eerste graad uit te breiden naar de Oude Abdij van Drongen. In het abbatiaal en op de zolder van de C-vleugel zal er plaats zijn voor 180 leerlingen van de eerste graad die dezelfde richtingen zullen kunnen kiezen als in de Savaanstraat, waar de capaciteit wat afgebouwd zal worden. Als alles volgens plan verloopt, kan de nieuwe school per 1 september 2023 haar deuren openen. Er is momenteel nog niet nagedacht over een eventuele tweede fase van dit grote project te Drongen. Aanleiding van dit project is de verwachte groei van de schoolgaande jeugd in en rond Gent met als gevolg de noodzaak van een grotere capaciteit. De jezuïetenorde heeft hierbij haar verantwoordelijkheid willen opnemen en wil haar gebouwen te Drongen via een erfpachtstructuur openstellen.

Ten slotte vermelden we nog de grondige renovatie van twee fysicaklassen in de zomer van 2019 en de grondige renovatie van de hele chemieblok in de zomer van 2020. Ook deze renovatie zal het dagelijks onderwijs ten goede komen.     

  1. Duurzaamheid, diversiteit en spiritualiteit en cultuur

Tijdens de schooljaren 2017-2019 is er ernstig werk gemaakt van een concreet duurzaamheidsbeleid. De concrete maatregelen en de visie hieromtrent vindt men terug in de ‘visietekst rond duurzaamheid’ die in de afgelopen maanden is opgesteld. De werkgroep ecologica met ongeveer 15 actieve leden heeft hiertoe het belangrijkste werk geleverd. We vermelden o.m. de energieaudits van alle schoolgebouwen, de investeringen in energiebesparingen ten belope van meer dan 300.000 EURO, het stapsgewijs weren van alle plastic op school, velerlei kleinere symbolische acties en het aanstellen van een energiecoach (2 BPT-uren). Komende maand beraadt de RvB zich over de installatie van zonnepanelen. Al die tijd heeft de school de zeer gewaardeerde steun gehad van Zero Emission Solutions via een contractueel partnership met de stad Gent. De goede samenwerking met ZES heeft ertoe geleid dat deze organisatie ook de energieaudit van de toekomstige schoolgebouwen van de Oude Abdij te Drongen op zich zal nemen.  De school heeft met haar duurzaamheidsbeleid drie doelstellingen voor ogen :

  • De stelselmatige vermindering van CO2
  • De beheersing en/of vermindering van de energiekosten
  • De sensibilisering van de milieuproblematiek bij de leerlingen

Als alle geplande en goedgekeurde projecten zullen uitgevoerd zijn (2023) kan de COuitstoot met meer dan 40% verminderd worden en kan er een recurrente jaarlijkse besparing van 55.000 EURO verwacht worden in de energiefactuur.

De school verheugt zich inmiddels over de oprichting van een ecologicagroep bij de leerlingen en ze moedigt alle leerkrachten aan om ook binnen de lessen de reflectie over dit belangrijk onderwerp verder te zetten.

In het schooljaar 2017-2018 besteedde de school haar jaarlijkse pedagogische studiedag aan het onderwerp ‘diversiteit’. De dag was voorbereid door de gelijknamige werkgroep. De werkgroep ontwierp ook een visietekst over dit aspect van de schoolwerking die in het schooljaar 2018-2019 gefinaliseerd werd en nu aan alle geledingen wordt aangereikt als basis voor een concreter beleid. In tegenstelling tot de werkgroep ecologica lijkt het vooralsnog echter aan concrete actiepunten te ontbreken en hult de tekst zich  voorlopig  nog te veel in goede intenties. Nochtans is diversiteit een belangrijke uitdaging en appelleert ze aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid van elke school. De school wenst positief met diversiteit om te gaan en ze ziet hierin kansen tot verrijking. Met name de traditionele sociologische achtergrond van een groot gedeelte van onze leerlingen kan andere talentrijke leerlingen (en ouders) afschrikken om voor onze school te kiezen. Nochtans zou een grotere sociologische diversiteit iedereen ten goede kunnen komen en de vervelende trekjes van een te exclusief begoede groep leerlingen kunnen afzwakken of in vraag stellen. De visietekst stelt hier twee belangrijke voorwaarden voorop  :

  • Het creëren van een breder draagvlak bij alle geledingen;
  • De overtuiging dat meer diversiteit tot hetzelfde niveau van pedagogie en tot eenzelfde studiepeil kan en moet leiden.

Jongeren blijken meer behoefte te hebben aan spiritualiteit in de breedste zin van het woord dan algemeen wordt aangenomen, ook al drukt zich dit slechts bij een kleinere groep van leerlingen uit in klassieke kerkelijkheid of in een uitgesproken christelijke bekentenis. Getuige daarvan de positieve respons bij de bezinningsdagen voor de leerlingen van het eerste jaar of bij de grote deelname bij stapretraites (laatste jaar) of de klassieke bedevaart naar Oostakker. De school wil hier verder aandacht aan besteden en ze moedigt initiatieven aan om leerlingen de waarde van stilte, vaqn soberheid, van reflectie en spirituele verdieping te leren ontdekken. O.m. de vernieuwde werkgroep pastoraal draagt hier op geregelde momenten in de loop van het schooljaar positief toe bij. De school verheugt zich in het recente initiatief van de jezuïetenorde om een kleine groep van jezuïeten ter beschikking te stellen van de colleges, met name in haar pastorale behoeftes.

Van oudsher kent onze school een levendig cultureel leven. Dit uit zich o.a. in het bestaan van een koor en orkest, in concerten en muzische avonden, in toneelvoorstellingen voor en door leerlingen, in poëziedagen en in het initiatief van veel leerkrachten om de leerlingen de weg te wijzen naar toneel, opera, tentoonstellingen en concerten. De school wil deze belangrijke traditie koesteren en verder laten ontwikkelen. Ze wil ook de traditie van een levendig literatuuronderwijs aanmoedigen ook al zouden de leerplannen daar minder ruimte voor laten dan voordien. Cultuur en literatuur dragen op een bevoorrechte wijze bij tot de humanistische traditie van onze school en bij de ontwikkeling van een breder perspectief en van een diepere levenswijze.     

Directie Sint-Barbaracollege
10 juni 2019