Uitmunten

opvoedingsproject

6.1. De term "méér" (magis) is typisch voor Ignatius van Loyola. Voor hem is God altijd groter dan wat wij van Hem denken en voor Hem doen. Onafgebroken is hij erop bedacht, Gods "grotere eer" te behartigen (Ad Maiorem Dei Gloriam), en op Gods oproep een antwoord te geven van 'grotere waarde'. Elders spoort hij aan om 'uit te munten' in dienst van God. De dynamiek die in deze comparatieven en in dit 'uitmunten' ligt, kenmerkt heel Ignatius' levensstijl. Ook de opvoeding die bij hem haar inspiratie put.

6.2. Op alle domeinen van het schoolleven wordt de maatstaf 'uitmuntend' toegepast. Daarmee bedoelt men:

  • een zo dynamisch mogelijke ontplooiing van de hele persoon, met honorering van elk persoonlijk talent,
  • de ontwikkeling van de zin voor wat waardevol is, wat kwaliteit heeft,
  • de bereidheid om 'gerechtigheid' te bevorderen en te laten voorgaan op eigenbelang,
  • een dienstvaardigheid die aandacht, zelfs voorrang verleent aan de noden van de kansarmen en lijdenden rondom ons.

6.3. "Uitmuntend" betreft niet slechts de mens-die-men-wil-vormen, ook de hele aanpak van onderwijs en opvoeding. Ná moet de jongere de beste opleiding krijgen om láter zo deskundig mogelijk te kunnen helpen en dienen. Voor een dergelijke opleiding is de voortreffelijkheid van de opvoeders en leerkrachten een eerste vereiste.

6.4. Traditioneel hebben de jezuïeten ernaar gestreefd. 'leidende figuren' te vormen, mensen die in de maatschappij verantwoordelijke ambten bekleden, waardoor ze een positieve invloed kunnen uitoefenen. Wat dit ook in het verleden mag hebben betekend, het doel van de SJ-opvoeding, zoals wij thans de Ignatiaanse visie op de wereld begrijpen, is niet een socio-economische elite op te leiden, maar wel mensen te vormen die vooropgaan in het dienen. Het college zal zijn leerlingen helpen de kwaliteiten van geest en hart te ontwikkelen, waardoor ze geschikt worden om, welke rang ze in het latere leven ook bekleden, samen te werken met anderen voor iedereens welzijn.

6.5. De uitnemendheid die men nastreeft, wordt mede bepaald door de plaatselijke omstandigheden. Binnen de vaak smalle marge die ons nog gegund wordt, wordt dát type onderwijs gekozen, met dát bepaalde niveau en voor dié leerlingen, dat het best beantwoordt aan de noden van de regio waar het college zich bevindt.

6.6. Kwaliteitsonderwijs en -opvoeding zijn niet enkel bestemd voor wie al de besten zijn inzake verstandelijke aanleg en karakter. 'Méér' is dus niet een maatstaf. om uit te maken wie bij ons thuishoort en wie niet. Het betekent integendeel een doelgerichte opzet: het beste halen uit iedereen, en wie faalt trachten op te vangen. Soms zal een school, nederig en met spijt, toegeven dat ze bepaalde gevallen niet aankan. Om te bepalen wat er dan moet gebeuren, zal, naast het belang van de gemeenschap, het welzijn van de betrokken leerling de doorslag geven.

6.7. Het 'méér' wordt niet beperkt tot het vormen van het intéllect. Opvoeding betreft de hele mens. "Uitmunten" slaat evenzeer op het karakter: beginselvastheid, sociale omgang, belangstelling voor het tijdsgebeuren, solidariteit met de minderbedeelden en beproefden, levenskunst in al haar vormen, sport en spel, iedere waardenbeleving die het egoïsme afremt.

6.8. "Méér" en "uitblinken" roepen in de onderwijsmethodiek spontaan de idee op van wedijver, vroeger in de SJ-scholen systematisch beoefend als een doelmatige stimulans om in de studie vooruit te gaan. Thans worden wij geconfronteerd met een wereld, waarin overdreven competitie leidt tot individualisme en succes-ten-koste-van-alles. De prikkel van de wedijver zal met omzichtigheid gehanteerd worden. Een SJ-school dringt er bij haar leerlingen vooral op aan, dat ze zich, in wedijver als het ware met zichzelf, onderscheiden door hun bekwaamheid om samen te werken en hun bereidheid om hun diensten aan te bieden. Deze gezindheid zal blijken uit de manier waarop ze, zoals trouwens hun leermeesters-opvoeders, elkaar bijstaan en helpen. Solidariteit, geen rivaliteit.

6.9. "Uitmunten" is allerminst een verworvenheid, die verder streven afsluit. Wij pogen én kritisch én ontvankelijk te staan voor het nieuwe dat zich aandient, en waaruit we wellicht ons voordoet kunnen halen. Wij willen ons niet afzonderen, noch ons beter dan anderen achten. Wij zoeken integendeel met die anderen eerlijk en bescheiden samen te werken, om na te gaan wat zowel aan het schoolbeleid als aan de pedagogische en didactische methodes, een nog ruimere doeltreffendheid kan verlenen.

6.10. Zonder een scheut humor leidt "de beste bedoeling" tot excessen of tot ontmoediging. Gezonde ambitie blijkt pas in de dagelijkse werkelijkheid: reiken naar het betere, de soms enge grenzen van het haalbare trachten te verleggen, en, onder collega's, elkaar blijven aanmoedigen om 'er het beste van te maken'.