Stadswandeling met Pierre Vinck op 6 november 2012

Onder het wakend oog en de manende hand van Jacob Van Artevelde verzamelden zich op een zonnige novemberdag meer dan zestig dames rond directeur Pierre Vinck voor de jaarlijkse wandeling door Gent.

Dit jaar had de directeur als thema “het Nederlands” gekozen.  Hij beloofde ons straatjes en hoekjes van Gent te laten zien, waar we waarschijnlijk nog nooit geweest waren.

Vroeger stond een beeld van Keizer Karel centraal op de Vrijdagmarkt , maar dit heeft moeten plaats ruimen.  De stad heeft een beetje een haat-liefdeverhouding met deze keizer.  Enerzijds is ze fier omdat deze heerser over een wereldrijk hier geboren is; anderzijds heeft keizer Karel de macht van Gent gebroken in 1540, en de rijken en groten van de stad met een strop rond de hals en blootsvoets in nachthemd door de straten laten lopen als vernedering en straf.  Daarom werd het beeld van Keizer Karel een beetje verstopt in het Zilverhof opgesteld, dicht bij zijn geboorteplaats.

Jacob van Artevelde was een soort verzetsheld voor Gent.  Tijdens de honderdjarige oorlog in de 14e eeuw tussen Frankrijk en Engeland wilde Gent de Engelsen niet als vijand beschouwen om haar handelsbelangen te vrijwaren.  Gent en Vlaanderen waren leenplichtig aan Frankrijk.  Voor de lakennijverheid was de handel met Engeland levensnoodzakelijk, daarom was een neutrale positie van Gent belangrijk.  Het stadsbestuur kwam in handen van een volksfront met Jacob van Artevelde aan het hoofd, en het besloot niet met Frankrijk mee te vechten.

De Vrijdagmarkt wordt omringd door tal van mooie historische gebouwen zoals het 15e-eeuwse Toreken: het Gildenhuis van de Huidenvetters.  Nu bevindt zich daar het Poëziecentrum (taal!).  Onze stad is de enige in België met een poëziewinkel, toch weer iets om trots op te zijn.  De annex aan het Toreken, een laat 20e-eeuwse nieuwbouw, werd opgericht om er alle nieuwe elementen in onder te brengen: sanitair, trappenhuis, keuken, verwarming en dergelijke.  De oprichting ervan heeft destijds voor veel heibel gezorgd.  De stadsautoriteiten vonden de stijl te veel contrasteren met haar omgeving.  Maar de dienst monumentenzorg merkte terecht op dat rond de Vrijdagmarkt gebouwen uit de  16e, 17e, 18e,en  19e-eeuw staan, maar dat er geen enkel 20e-eeuws gebouw stond.  Het dienstgebouw stoort niet en is geïntegreerd in het historisch geheel, mede door het materiaalgebruik.  De heisa van toen herhaalt zich nu met betrekking tot de  Stadshal op het Emiel Braunplein.  In principe is er niets tegen dat er hedendaagse toevoegingen komen aan het stadsweefsel, zo blijft Gent een levende stad, op voorwaarde natuurlijk dat de toevoegingen zinvol en esthetisch zijn.  De directeur moest wel toegeven dat de Stadshal wat groot uitgevallen was.

Andere in het oog springende gebouwen rond de Vrijdagmarkt zijn “Ons Huis” en de “Bond Moyson”, een socialistisch partijcentrum ontworpen door Ferdinand Dierkens,  opgericht om de macht en het aanzien van de socialistische beweging te onderstrepen.  Net zoals de Vooruit is de bond Moyson een echt cultuurpaleis in een eclectische stijl met een mooie combinatie van gietijzer en glas.

De Baudelostraat werd in 1900 aangelegd als verbinding tussen de Vrijdagmarkt en de Baudeloabdij aan de Ottogracht.  Dit moest een winkelstraat worden, en een  eclectische gevelwand werd opgetrokken met winkelfunctie op het gelijkvloers en woningen in de bovenbouw.  De stichtende spreuken in de gevelvelden zijn typisch voor het werk van architect Jacob Semeij.

Ook in de Wolfstraat heeft architect Semeij de meeste huizen opgetrokken in de hem typerende eclectische stijl, met gevarieerde materialen en cartouches met belerende opschriften en reliëfs.  Dat deze spreuken in het Nederlands zijn (taal!), is opmerkelijk, want Gent was toen een verfranste stad: pas in de jaren 30 is de Gentse Universiteit vernederlandst, en is het Nederlands aan een revival begonnen.  De spreuken op de gevels geven blijk van een koestering van het verleden en een hunkering naar oude waarden, maar komen nu nogal belerend en prekerig en soms lachwekkend over, zoals bijvoorbeeld “wie taal en kunsten mint, mint volk en vaderland” of “er bestaat maar een geluk: de plicht”.

Via de Penitentenstraat kwamen we bij de vroegere Baudeloabdij en -kapel.  Deze was oorspronkelijk in de eerste helft van de 17de-eeuw een refuge voor de Cisterciënzermonniken van de Baudeloabdij in Sinaai nadat de moederabdij door de Calvinisten was vernield.  Na de Franse Revolutie werd het gebouw deels afgebroken, en deels gebruikt als opslagplaats voor boeken die in oude abdijgebouwen waren aangeslagen.  In 1800 werd de kapel heringericht als bibliotheek (taal!). Aanvankelijk was hier de stadsbibliotheek gevestigd, later verhuisde die naar de Kouter, nog later naar het Woodrow Wilsonplein, en straks komt ze aan de Waalse Krook.  De kapel is in feite het enige oude gedeelte dat nog rest van de oorspronkelijke oude gebouwen.  Mozart heeft hier ooit nog een concert gespeeld!

Naast de Sint-Jacobskerk op het Sint-Jacobsplein staat een opmerkelijk beeldje “Den Gentschen Béranger”, gemaakt door Walter De Buck in de jaren ’80.  Het beeldje is opgedragen aan Karel Waeri, een Gentse volkszanger uit de 19e eeuw die een heel gamma van volksliederen, kluchtige zedenschetsen en politieke liederen heeft nagelaten, waarvan verschillende in het repertoire van Walter De Buck zijn opgenomen.  Het beeld is eerder een soort zuil, waarop we bovenaan de zanger zien, en  rondom de thema’s verwerkt in zijn liedjes.  Waeri was heel succesvol, en is zelf opgetreden in de Minardschouwburg die door bouwmeester Louis Minard in 1846 op eigen kosten werd opgericht uit bezorgdheid om de stiefmoederlijke behandeling van de Nederlandse taal.  Hij vond dat Gent naast een “Grote Franse schouwburg” (de opera) ook een Nederlandse theaterzaal nodig had.  De zaal heeft jarenlang goed gefloreerd, tot haar rol werd overgenomen door het NTG.  De liederen van Karel Waeri zetten een middeleeuwse zangtraditie verder die hij (en na hem Water De Buck) tijdens de Gentse Feesten demonstreerde.

 De Gentse feesten zijn in 1843 ontstaan uit een traditie van parochiekermissen: Gent telde een tiental parochies die elk hun eigen kermis hadden.  De fabrieksbazen waren het beu dat hun arbeiders na elk van die parochiekermissen met een reuze kater zaten en niet veel presteerden of gewoonweg niet kwamen opdagen, en stelden voor de tien kermissen achter mekaar te organiseren, tien dagen aan één stuk.  De arbeiders konden zich tien dagen na mekaar een stuk in hun kraag drinken tot het geld op was, en de industriëlen konden er zeker van zijn dat ze daarna terug zouden komen werken.  Met de opkomst van het toerisme na de tweede wereldoorlog gingen de arbeiders liever eens naar zee of het buitenland en hadden de Gentse feesten steeds minder succes; Gent liep leeg tijdens haar eigen feesten.  Walter De Buck heeft de feesten  eind de jaren zestig opnieuw in gang getrokken rond Sint-Jacobs in zijn café “Het Trefpunt”, en nu zijn de Gentse feesten uitgegroeid tot een van de grootste stadsfeesten in West-Europa.

Vanuit de Kammerstraat hebben we al zicht op de mooiste rococowoning van heel Gent:  het Hotel van Oombergen in de Koningstraat.  Op de plaats waar vroeger het 14-de eeuwse Dammansteen stond, werd in 1746 een prachtig ontwerp van de bekende Gentse architect David ’t Kindt gerealiseerd in goudkleurige Balegemse kalkzandsteen.  Dit stadspaleis heeft een gevel vol ondulaties, balkonvensters met gebogen frontonbekroning, een soort gordijnen in steen onder de ramen, en een zadeldak met grillig oeil-de-boeuf omgeven door rijk uitgewerkte rocailles en putti.  Sinds 1892 heeft de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde er onderdak gekregen, en de fraaie Lodewijk XV-interieurs zijn nog grotendeels bewaard.   Edward Vanhoutte, de Coördinator Onderzoek en Publicaties van de Academie, stond ons op te wachten, en leidde ons langs de gang vol statige borstbeelden van grote Vlaamse schrijvers de plechtige grote vergaderzaal binnen waar de maandelijkse vergaderingen van de Academie plaatsvinden.  

Edward Vanhoutte, de Coördinator Onderzoek en Publicaties van de Academie, stond ons op te wachten, en leidde ons langs de gang vol statige borstbeelden van grote Vlaamse schrijvers de plechtige grote vergaderzaal binnen waar de maandelijkse vergaderingen van de Academie plaatsvinden.   Vlot en enthousiast en aan de hand van vele anekdotes vertelde hij honderduit over de geschiedenis en de activiteiten van de Academie. De Koninklijke Academie is een overheidsorganisatie die in 1886 bij Koninklijk Besluit werd opgericht als “Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde”.  De officiële taal in België was het Frans, Koning Leopold II was zelf Franssprekend, maar een groot promotor van Hendrik Conscience.  Hij stimuleerde Conscience om een boek in “de taal van het volk” te schrijven, en steunde ook de Vlaamse Academie.    Guido Gezelle , een notoir taalkundige en cultureel spilfiguur, was één van de stichtende leden.  In 1972 werd de naam van de Academie veranderd in de huidige naam en in 1981 werd haar bestaan bevestigd door een decreet van de cultuurraad.  De KANTL is nu een instelling van de Vlaamse Overheid.  De Academie was de eerste officiële instelling in België die op een wetenschappelijke manier het Nederlands bestudeerde.  Zij was gemodelleerd naar de “Academie Française”, en kreeg de opdracht de literatuur in de volkstaal te bevorderen en initiatieven voor de ontwikkeling van de wetenschappen in het Nederlands te coördineren.  Zij heeft nu nog altijd een adviesfunctie voor de Vlaamse regering en speelde een belangrijke rol in de Vlaamse ontvoogding.  Op politiek vlak heeft ze zich altijd neutraal opgesteld.  De Academie bestaat uit 30 gewone leden: 10 auteurs (literatoren), 10 literatuurwetenschappers en 10 taalkundigen naast vijf buitengewone ereleden uit het Frans- of Duitstalig landsgedeelte en 25 buitenlandse ereleden. 

Conscience bracht in 1843 een eigen spelling uit die goedgekeurd werd door de regering.  In 1995 bereidde een werkgroep onder leiding van professor Geerts de spellinghervorming voor in de schoot van deze Academie.   Enkele bekende leden van de Academie nu zijn Geert Van Istendael, Anne Provoost, Walter Van den Broeck, Monika Van Paemel,  Luc Devoldere en Patrick Lateur.  Het beroemdste lid was zeker Stijn Streuvels, die ook het langst lid is geweest: 60 jaar!  De Academie omvat een bibliotheek en een indrukwekkend archief, die beide toegankelijk zijn voor alle geïnteresseerden.   Daarnaast heeft de Academie ook een culturele werking: ze  organiseert ongeveer 250 evenementen per jaar en biedt een ruim aanbod van lezingen.  De wetenschappelijke werking van de Academie bestaat vooral uit tekstedities en tekstonderzoek, onder andere over de totstandkoming van literair werk. 

De vergaderingen vinden achter gesloten deuren plaats, maar eens per jaar, in juli,  vindt de jaarlijkse openbare zomervergadering plaats op het Kasteel van Beauvoorde in Wulveringem, dat door Arthur Merghelynck samen met de omringende goederen en gronden geschonken werd aan de Academie.  Onze directeur Pierre Vinck beaamde dat die openbare vergadering de moeite is om eens mee te maken: heel gezellig in het kasteelpark, met een grote tent, muziek en rozijnenboterhammen.

Elk jaar reikt  de Academie één van haar vijfjaarlijkse prijzen uit.  Zo is er een prijs voor proza, poëzie, podiumteksten, essay en de studie van de oudere taal, literatuur en cultuur.  Het prijzengeld bedraagt 6250 euro en is daarmee één van de belangrijkste prijzen voor literatuur en cultuur in België. 

De heer Vanhoutte leidde ons ook nog via de statige trap naar het Rood Salon en de Tapijtenzaal met zijn antieke meubelen die speciaal voor het gebouw gemaakt zijn.

Terug buiten gaat het richting Zandberg, waar Jan Frans Willems woonde en gestorven is, een van de grote figuren van de Vlaamse Culturele beweging die bijgedragen heeft tot de culturele bewustmaking .  In de vroege Middeleeuwen waren hier nog weilanden, en uit geschriften blijkt dat zich hier toen al midden op het pleintje een openbare waterput bevond.  Later werd er een pomp bovenop gebouwd op een vierkante basis met waterbekken en een meer dan zes meter hoge obelisk, met daarop een keizerlijke adelaar op een bol, het geliefde machtssymbool van Napoleon die hier de paarden van zijn leger liet drinken.  Dit is de enige openbare sculpturale versiering die nog  herinnert aan de napoleontische tijd in Gent.

De laatste halte is op het Sint-Baafsplein.  In het vooruitzicht van de wereldtentoonstelling in 1913 zijn hier hele huizenblokken tegen de grond gegaan om een nieuwe brede laan aan te leggen, zodat men vanuit het Zuidstation via een mooie boulevard (de Vlaanderenstraat) kon wandelen tot aan de Sint-Michielshelling.  Veel middeleeuws weefsel ging verloren, en het enige oude gebouw dat bewaard is gebleven, is het groen geschilderde “Hotel Hamelinck”, een monumentaal herenhuis uit het begin van de 18de eeuw.  De gevel illustreert de overgang  van de classiserende barok naar de rococostijl en is symmetrisch opgebouwd met speelse ornamentiek.

Aan de andere zijde van het plein zien we de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (nu NTG/Publiekstheater).  Met de oprichting van het Nederlands Toneel Gent in 1871 ontstond de behoefte aan een eigen Vlaams theatergebouw.  Architect Edmond de Vigne werd belast met de opdracht en in nauwelijks twee jaar was het gebouw af (1899). De monumentale voorgevel is uitgevoerd in een neorenaissancestijl.  Centraal stelt een veelkleurige mozaïek Apollo voor die de muzen naar de Parnassusberg voert.  De vier gevelbeelden stellen de belangrijkste Gentse rederijkerskamers voor van het einde van de 19de eeuw: Maria Ter Eere, De Bomloze Mande, de Fonteyne en Sint-Barbara.  In de nok staat vrouwe Harmonia.

In het midden van het Sint-Baafsplein staat een beeld ter ere van Jan Frans Willems: een jongeling, die de Vlaamse beweging  voorstelt, maakt een jonge vrouw wakker die Vlaanderen symboliseert.  Op de voorkant van de sokkel zien we een portretmedaillon van Willems en op de zijkanten verwijzingen naar het Vlaamse volkslied en het dierenepos Reinaert de Vos.

Hiermee werd de “taal-wandeling” afgesloten en stoetsgewijs ging het richting school voor een koffie en wat napraten: dat er toch zoveel te zien is in Gent, en dat de directeur dat toch zo fantastisch doet…  Benieuwd wat hij ons volgend jaar zal laten zien!

-------------------------------------------------------------------

Chantal Verlinden-Boucqué