Op bezoek bij de duivel: de tweede graad van het internaat bezoekt het S.M.A.K.

Kunst: dat is Messi met een bal, als het moet Alberto Contador in de Pyreneeën. Kevin van der Perren zeker niet, dat is eerder iets voor een meisjesinternaat, laten we daarover geen discussie voeren. Wat ook nog kan is een reproductie van Botticelli’s Geboorte van Venus in de geschiedenisklas of een deel van het kerkinterieur. Waar je zeker geen kunst vindt is in het Gentse Stedelijke Museum voor Actuele Kunst, kortweg SMAK. Integendeel, dat is het huis van de duivel. Tenminste, zo omschreef een intern het een tijd geleden. En laten we daar nu net een woensdagmiddag gaan doorbrengen. Andere keuzemogelijkheden: geen.

Hedendaagse kunst roept bij internen van de tweede graad bepaalde doembeelden op die ver verwijderd liggen van de wereldgoals die op hetzelfde moment zouden kunnen gescoord worden op het biljartlaken van de speelplaats. Ze associëren die stroming in de eerste plaats met machines die stront produceren, Jan Hoet op Red Bull of andere gekken die hun knutselwerkjes uit de kleuterschool voor veel geld aan excentrieke miljardairs weten te slijten.

Bovendien bevindt het museum zich in het gevreesde Citadelpark. Volgens sommigen bij nacht een broedplaats voor allerlei venerische ziekten die daar druk worden uitgewisseld tussen personen die de herenliefde genegen zijn. De gemoederen zijn dan ook al vrij verhit als we het gebouw bereiken. Iedere passant was een potentiële verkrachter, en als dat al niet de bedoeling was dan zou hij zeker de bedoeling hebben om een of ander illegaal product te scoren tijdens zijn vermeende wandeling langs de stadvijvers.

Jan FabreDit alles staat echter in schril contrast met de gemoedelijkheid waarmee twee gedreven gidsen de jongens opwachten. Eerst zullen we het gebouw van de buitenzijde bekijken. Op het dak staat een raar mannetje met een lat boven het hoofd. Een iemand weet dat het gaat om 'De man die de wolken meet', een werk van Jan Fabre. Jan wie ? Plots herinnert een andere zich dat hij in Blankenberge een reusachtige schildpad weet staan, ontworpen door dezelfde kunstenaar. Moeilijker wordt het als men ook vraagt wat dat heerschap daar staat te doen. Wel, Fabre heeft zijn werk gebaseerd op de film Birdman of Alcatraz van John Frankenheimer uit 1962. Daarin speelt Burt Lancaster een gevangene die eenmaal per dag gelucht wordt op een kleine binnenplaats waar hij eigenlijk alleen naar de lucht kan kijken en af en toe een meeuw ziet vliegen. Als hij uiteindelijk vrijkomt vraagt men hem wat hij de rest van zijn leven wil gaan doen. De wolken meten dus. Een bezigheid waarvoor een aantal internen tijdens de studie over het nodige metier te lijken beschikken. De gids legt uit dat de kunstenaar hier het onmogelijke uit de realiteit in zijn werk probeert te vatten. Wat dus als een metafoor kan gezien worden voor het werk van de internaatsbegeleiders.

Eenmaal in het museum worden we geconfronteerd met een gigantische fotoproductie van een voormalige skatelegende, Ed Templeton. Schijnbaar alledaagse foto’s krijgen hier en daar roodgekleurde details. Een techniek die ook door Steven Spielberg wordt gebruikt in Schindler’s List. Herinner u het meisje met het rode jasje bij de opruiming van het Joodse getto door de nazi’s. Of hoe een gefilterd detail je keihard met je neus op de schokkende werkelijkheid duwt. Meneer, hier had ikzelf ook kunnen opkomen fluistert een van de jongens. Dat wordt bevestigd door de gids, maar wat houd je tegen ? De internaatsrealiteit zegt ons dat het enige waar de jongens doorgaans willen opkomen de meisjes uit hun klas zijn. Dat is uiteraard voor velen een kunst op zich, maar of dat ons veel vooruit gaat helpen?

Een zaal verder zien we een werk van Koen van den Broeck uit de reeks Curbs en Cracks. Het is een geschilderde weergave van een banale stoeprand met allerlei details als opgedroogde kauwgum en schaduwen van straatlampen. Dit werk wordt geconfronteerd met een schilderijtje van een andere artiest die het meer heeft voor een uitvergroting van pigmentvlekken op de menselijke huid. Ook dit werk roept een zekere reactie op. Maar ook die gaat weer gepaard met al dan niet aanvaardbare uitspraken over de lichamelijke toestand van bepaalde dames op school. Laten we dus maar snel verder kijken en hopen op andere thema’s.

En we hebben geluk want de minzame man die ons begeleidt loodst ons binnen in een kleine ruimte met een beeldscherm. Daarop staat de kunstenaar, Mekhitar Garabedian, als een complete idioot zijn naam twee minuten lang tegen een spiegel te schreeuwen. Twee minuten is een eeuwigheid voor wie op hetzelfde moment alleen voor de goal had kunnen staan om het ultieme doelpunt te scoren. Maar voor wie goed heeft opgelet, en dat zijn er wel wat, schreeuwt de kunstenaar telkens in andere toonaarden en met verschillende emoties tegen zijn spiegelbeeld. De man blijkt van Armeense afkomst, heeft periodes in Libanon en Palestina doorgebracht en blijkt nu hij in België woont nog steeds op zoek naar zijn ware identiteit. En zijn ook de jongens van drie en vier niet dagelijks op zoek naar wie ze nu werkelijk zijn of wie ze willen worden?  De oorspronkelijk als onnozel ervaren voorstelling zou nu toch diepere vragen kunnen gaan oproepen.

En die komen er ook. Want een snuggere vierdejaars heeft een wel erg pientere vraag. De gids vertelde ons immers bij de start van onze rondleiding dat het SMAK een museum is dat voortdurend evolueert. Dit voornamelijk door externe exposities af te wisselen met oud en nieuw werk uit de vaste collectie. Dat zorgt uiteraard voor een zekere dynamiek maar ook voor heel wat praktisch werk. En vooral die kant roept de vraag op hoe men toch telkens weer de gaatjes in de muren dicht die ontstaan bij het aanbrengen van nagels of vijzen als er weer eens iets nieuws moet worden opgehangen. Hilariteit alom. Maar ook hier krijgen we een verrassend antwoord. De verantwoordelijken en beheerders van de collectie vinden immers dat een kunstwerk zich niet moet aanpassen aan de structuur van het museum, maar dat eerder de omgekeerde weg gevolgd wordt. Er sneuvelen dus al eens wat muren of er wordt vlijtig met gipsplaten aan de slag gegaan om de ideeën van de kunstenaar tot zijn recht te laten komen. Een van de voorbeelden die we onmiddellijk kunnen bekijken en zelfs betreden is een werk van Daniel Buren.

The requested image size is not available for this photo on Flickr (uploaded when this size was not offered yet). Try another size or re-upload this photo on Flickr.In Le décor et son double roept de kunstenaar de spanning op tussen het museum als beheerder en verzamelaar van kunst en de steeds verder uitdeinende markt van privécollectioneurs. Waarom zouden enkel musea het recht hebben werken tentoon te stellen, en wordt kunst enkel voor de geïnteresseerde massa gemaakt of ook voor – welgestelde – liefhebbers. Naar aanleiding van het fenomenale project Chambres d’Amis ( 1986 ) van de heer Hoet werd het museum immers verlengd naar de Gentse binnenstad. Mensen konden hun woning openstellen voor de kunstenaars en hun publiek. Buren vond dit te beperkt en doorbrak het concept van Hoet door zijn werk wel binnen een woning te ontwerpen maar smokkelde het opnieuw het museum binnen door er een perfecte kopie onder te brengen. En hoewel het om een eerder banaal idee lijkt te gaan blijkt het geniaal in zijn perfectie. Die zit in de enorme zin voor detail die het ontwerp laat zien. Het toont een eerder smakeloze kelder waarin een bed is ondergebracht, toiletruimte en verwarmingsbuizen incluis. De muren zijn voorzien van een afwisselend felroze en wit strepenpatroon maar verder blijft het beperkt tot een vloer uit de jaren zeventig, een goedkope kelderlamp en wat lichtschakelaars. De boodschap achter dit werk staat in fel contrast met de eerder smakeloze inrichting van deze kamer.

De boodschap die Johan Grimonprez in zijn videokunst brengt is een pak duidelijker en na een verhelderend verhaal van de gids ook meer bevattelijk voor onze jonge bezoekers. We zien aan de ene kant een gigantische videowall waarop beelden uit de klassieker The Sound of Music worden afgewisseld met impressies uit Papoea Nieuw-Guinea. Blijkt dat de inwoners daar, na het herhaaldelijk bekijken van deze filmhit, een beeld hebben van ons westerlingen als altijd zingende en in lederhosen rondhossende zonderlingen. Dit idee wordt nog eens bevestigd in zijn video Kobarweng Or Where Is Your Helicopter. Nadat de eerste antropologen daar zijn geland met een mastodont van een helikopter gaat men er daar blijkbaar vanuit dat elke blanke sowieso verbonden is met zo een vliegend tuig. Of hoe ingrijpend beelden kunnen zijn op de beleving van mensen die niet vertrouwd zijn met een vreemde cultuur. Wij denken toch ook dat die mensen daar hun peniskoker achterna lopen, insecten beschouwen als dropjes en elke dag aap op het bord krijgen. En komt dat niet overeen met het beeld dat wij als volwassenen soms krijgen van de leerlingen en omgekeerd?

Mekhitar Garabedian 

Of zou het kunnen dat wij er ook af en toe eens naast zitten? Bestaat de wereld van internen inderdaad enkel uit voetbal, en haantjesgedrag? Of zit er meer in deze jongens? Wij merken in elk geval dagelijks dat ondanks de enorme belangstelling voor fijne vleeswaren, het eerder gefocust zijn op sport en ontspanning en de niet aflatende zin voor het uithalen van allerlei onnozelheden er ook een voortdurende drang is om grenzen te verleggen. Niet enkel de door ouders en begeleiders aangegeven grenzen, maar ook de drang om de wereld te verkennen.

Dit merkten we onmiddellijk na het bezoek door de verwijzingen die sommigen al dan niet rechtstreeks gaven aan tafel of tijdens de studie.  Maar bovendien zijn onze internen op hun manier allemaal wel creatief met iets bezig. Sommigen hebben een geniale feeling voor humor, anderen zijn dan weer actief bezig met muziek of sport. Een aantal kunnen beter om met allerlei vormen van nieuwe media dan wij met onze schoenveters en er zijn er zelfs die graag boeken lezen. Of hoe een bezoek aan de duistere krochten van het Beest dan toch weer licht brengt in de gang van de tweede graad.