In memoriam Paul Vanderghote sj

Paul VanderghoteIn de zomervakantie bereikte ons het droevige nieuws dat pater Paul Vanderghote sj op 9 juli 2011 was overleden; drie dagen ervoor had hij zijn 89ste verjaardag gevierd.

Pater Vanderghote heeft tientallen jaren in de Vlaamse jezuïetencolleges gewerkt. In Sint-Barbara was hij van 1979 tot 1987 een begenadigd poësisle­raar. Zelf bijzonder belezen, droeg hij tijdens zijn lessen zijn bezieling voor de literatuur, en vooral dan de poëzie, over op zijn leerlingen. Van 1984 tot 1997 was hij voorzitter van de Raad van Bestuur van de vzw Sint-Barbaracollege. Hij was eindredacteur van de publicatie 'Een hedendaags opvoedingsproject voor de Vlaamse jezuïetencolleges' (1988), een tekst die tot vandaag ons belangrijkste inspiratiedocument is. Paul Vanderghote had de gave van het woord. Talloze keren heeft hij bij samenkomsten en feestelijke gelegenheden zijn toehoorders verblijd met scherpzinnige tekstjuweeltjes en spitsvondige chronogrammen. Hij was een buitengewoon optimistisch man, met veel gevoel voor humor.

In een interview enkele jaren geleden ("Mijmeringen van een oud-leerling en oud-leraar") bracht hij op een heldere manier de essentie van goed leraar­schap onder woorden. Ik citeer zijn aanbevelingen hier heel graag.

Mijn aanbevelingen (hoe durf ik !) formuleer ik in de vorm van wensen...

Ik droom van een school waarin de volgende punten aandacht krijgen. Opvoeden schept een relatie tussen opvoeder en opvoedeling. Gezag speelt een beslissende rol: het moet uitgeoefend worden en aanvaard. Welk gezag? Laat het berusten, niet op dwang, met een getarifeerd strafsysteem, maar op wederzijdse hoogachting en vertrouwen. Het spreekt vanzelf dat de kwaliteit van gezag in de eerste plaats bepaald wordt door de ingesteldheid en het optreden van de opvoeder.

Een eerste vereiste daarvoor is geduld. Mijn oud-principaal (collegedirec­teur), een eenvoudig en wijs man en briljante opvoeder naar wie iedereen opkeek met een warm-genegen ontzag, heb ik eens horen zeggen: «Wij opvoeders verschieten vaak ons kruit (in zijn sappig West-Vlaams: Wieder verskieten uus poer) waar dat niet hoeft en waar niets helpt. We hebben geen geduld genoeg en willen zelf alles op staande voet oplossen, ook datgene wat de natuur, als wij haar laten betijen, in orde brengt. Maar we moeten aanvaarden dat ze daar haar tijd voor neemt...”

Dat geduld wordt aangevuld door aandacht voor eenieder afzonderlijk, zeker voor de minder begaafden, de 'achterblijvers', de 'lastige gevallen'. Niet alleen om de gemaakte brokken aan elkaar te lijmen. Voorkomen is beter dan genezen. Elke jongere heeft zijn eigen aanleg en mogelijkheden, verstandelijk, karakterieel, sociaal. Die moeten op tijd aangesproken, geprikkeld, onder­steund en aangemoedigd worden.

Rekenen op de bijsturende natuur betekent hoegenaamd niet laksheid of laisser aller. Jongeren gedijen niet zonder een omkadering, een structuur, en dat behoort even goed bij hun 'natuur'. Het kan best, het is zelfs normaal en heilzaam dat ze af en toe in verzet komen tegen die structuur, dat ze wil­len voetbal spelen zonder referee of spelregels. Lang duurt dat spelletje in het ijle niet. Onbewust, en bij de verstandigsten bewust, vragen ze om een dosis discipline, geordend studeren, tuchtvol gedrag, gelijkmoedige, niet te toegeeflijke 'meesters' die te vertrouwen zijn. Ik vergelijk dat met iets dat ik dagelijks ondervind. Als ik ben weggezakt in een diepe fauteuil, kom ik moei­lijk overeind. lk kan me niet afzetten tegen de zachte meegevende zitting. Geef me maar een stoel en ik veer zo recht: ik kan me afduwen tegen een harde plank onder mij.

Niets is zo stimulerend als een klaslokaal waar een prettige sfeer hangt. «Zo vrolijk hoeft dat nu ook niet, hoor ik een goedmenende schoolfrik brommen, een school is geen speeltuin, maar een instelling waar men kennis opdoet, zonder florituurkes». Mooi gezegd. Dat bedoel ik juist: spelenderwijs kennis opdoen. De lesgever hoeft zijn leerstof niet zozeer op te leggen en tegen heug en meug erin te pompen. Laat hij de leerling de kans gunnen de voor hem nieuwe werkelijkheid te ontdekken. Daarvoor is belangstel­ling nodig. Deze benieuwdheid, noem het weetgierigheid, kan de lesgever aardig in de hand werken. Om te beginnen, door te doceren met een zeker enthousiasme, zelf geboeid door wat hij anderen aanleert. En verder door een simpele methode: vragen stellen. Niet alleen achteraf (de overigens nut­tige lesoverhoring, alsof het om een politieverhoor ging) om te controleren of de leerling zijn les heeft geleerd, maar reeds onder de les, terwijl hij aan het woord is. Een beetje zoals Socrates: die stelde maar vragen, zo langs zijn neus weg. Zo bracht hij zijn toehoorders aan het denken en gissen, zodat ze ten slotte gretig uitzagen naar het antwoord, waarmee hij het onderhoud glansrijk afsloot.

Strookt dat niet volkomen met de methode die Ignatius bij het geven van de Geestelijke Oefeningen aanbeveelt, meer bepaald bij het inwijden in de mysteries van het Evangelie? Niet teveel uitleggen, wel de retraitant op weg zetten, zodat deze zelf achterhaalt wat God in deze passage bedoelt en mij vandaag te zeggen heeft.

Aansluitend bij het voorgaande nog deze beschouwing. De hele voorgestelde operatie van belangstelling uitlokken en de werkelijkheid laten ontdekken kunnen wij duiden als een wekken van verwondering over alles wat bestaat, dát het bestaat en hoé, wat vanzelf leidt tot verwondering. Het geleidelijk ontrafelen van wat daarnet voor mij nog verborgen en onbekend was schept die typische belangeloze voldoening in het kennen op zich, alsmede de oer­gezonde drang om met die verworven kennis iets uit te voeren. Hierop kan de attente opvoeder de zorg voor minder begunstigden enten, en het jeugdige gemoed de nog hogere vreugde laten smaken van te kunnen en te mogen dienen. Wij zitten in het hart van het ignatiaanse opvoedingsideaal.

De strenge zakelijkheid en de juridische haarkloverij, die - naar het model van de zakenwereld - vandaag aan het schoolbedrijf wordt opgedrongen, de rustverstorende 'vernieuwingen' die de minister van Onderwijs tot in den treure toe voor ons verzint, de kleine en grote organisatorische problemen die opvoeding en onderwijs dagelijks met zich meebrengen, de praktische beslommeringen van het lesgeven, al wat onze aandacht vasthoudt in klein­menselijke zorgen, zou ons doen vergeten dat onze eerste taak erin bestaat onze leerlingen op te voeden tot verantwoordelijke burgers. Humaniora: bezig zijn met de dingen die ertoe bijdragen dat we samen meer mens wor­den.

Dank u, pater Vanderghote, voor zoveel jaren van inspiratie en wijsheid!

Pierre Vinck, algemeen directeur