Ilias en de Odyssee van Homeros op scène

Enkele enthousiaste Grieken uit het vijfde jaar hadden zin om fragmenten uit de Ilias en de Odyssee van Homeros op scène te brengen.  Ze bundelden hun krachten, en na een paar weken van dichterlijk geploeter en geschaaf, hadden ze hun vertalingen van enkele fragmenten klaar. Om de hele school warm te maken voor deze teksten, deden ze tijdens de middagpauze van 19 april een voordracht van een paar Griekse en Nederlandse stukjes uit de Ilias en de Odyssee.

 

Ilias

Iliad_VIII_245-253_in_cod_F205,_Milan,_Biblioteca_Ambrosiana,_late_5c_or_early_6c

Aanhef

 

Bezing mij, o Muze, de wrok van de peleide Achilles,
Die de Achaeers belaagde met ontelbare smart,
Die vele zielen van brute helden zond naar de Hades.
De honden vraten aan hun levenloos hart.

De vogels pikten de ogen uit hun kop,
En zo voltrok zich de wil van Zeus.
Muze, bezing dit vanaf 't tijdstip waarop
Achilles en Agamemnon uiteengingen, rancuneus.
 

 Gevecht tussen Hektor en Achilles

Hem naderde Achilles, weer deel van de Griekse bataljons
Peleus’ essenhouten speer, waarmee hij menigeen bedwong,
over zijn schouder zwaaiend, rondom hem glansde ’t brons
met de gloed van oplichtend vuur of van de ondergaande zon.

Vrees bekroop Hector’s hart want Achilles wilde hem doen boeten .
Hij waagde het niet stand te houden en snelde weg, verlaten door de goden,
Patroclos’ vriend ging hem achterna, vertrouwend op zijn vlugge voeten,
zoals een havik telkens op een duif toeschiet, om hem eindelijk te doden.

Zij renden onder de muren van Troje, waar ieder angstig om een wonder bad,
een sterke door een sterk’re achtervolgd, in rappe, in vliegensvlugge vaart.
Driemaal renden die twee rondom Priamos’ goed ommuurde stad,
zoals men bij de spelen ijlings rond de palen draaft met z’n wedstrijdpaard.

De onsterflijken keken toe en zwegen, tot Zeus vader zuchtte en zei:
“Treurig is het te zien hoe een man, die ik in mijn hart heb gesloten,
daar om Troje voort wordt gejaagd, kom, helpt mij,
 moet zijn leven worden gespaard of zijn bloed worden vergoten?” 

Toen riep Athena, met haar ogen als sterren zo groot:
“Wat zegt ge, Vader, koestert ge werkelijk ’t plan
om een sterveling, wiens lot al lang is bezegeld, te redden van het duister der dood?
Doch doe wat ge wilt, al vinden wij anderen niet dat het kan.”

“Wees gerust, Trito’s vrouwe en mijn eigen geliefde kind,
 zeer zeker niet. Doe wat u goeddunkt maar maak mij geen verwijt.”
 Aldus van Zeus’ zegen verzekerd, zweefde Athena weg als de wind.
 Ondertussen joeg Achilles Hector nog steeds na, zonder respijt.

Ge zult wel vragen, hoe die tot dan toe de dans was ontsprongen:
op het laatst had Apollo zijn voeten bevleugeld en zijn knieën versneld
en Achilles had zijn strijdmakkers, die naar voren drongen
verboden te schieten, hij gunde een ander de eer niet Hector te hebben geveld.

Athena ging Achilles, bemoeizuchtig als altijd, tegemoet,
en sprak: “Dit is onze kans om beladen met roem naar de schepen terug te keren.
Blijft gij nu staan, schep adem en moed
terwijl ik op Hector toega en hem aanspoor zich tegen u te verweren.

In de gedaante van zijn broer Deiphobos ging ze naar Hector toe,
 en stelde ze voor om samen strijd te bieden, zijn gebeden waren verhoord!
De rollen waren omgedraaid, de kansen gekeerd, en het lopen moe,
 liep hij recht in de val. Athena’s list werkte: hij ging akkoord.  

Hector zei dat hij het lijk van zijn tegenstander niet zou schenden,
 en dat hij van de ander dezelfde hoffelijkheid verwachtte.
Die antwoordde dat het dwaas was zich daarvoor tot hem te wenden,
 dat een leeuw zijn prooi en diens verdragen verachtte.

Hoe kon ’t vreselijke gevecht dat volgde, ooit eerlijk zijn?
De één was alleen, de ander had een godin aan zijn kant.
Achilles doorboorde zijn hals, het bloed vloeide donker als wijn.
 Hector’s knieën verslapten en hij stortte neer in het zand.

Nog  één maal deed hij een beroep op zijn goede manieren.
 “Neen, nimmer zal uw moeder u op uw doodsbed bewenen,”
antwoordde Achilles, “uw lijk zal dienen tot voer van vogels en dieren.”
De dood sneed Hector de adem af, zijn ziel was naar Hades verdwenen.

De bede van Priamos

De gezwinde grijsaard ging recht naar het vertrek,
alwaar Zeus' lieveling, Achilles, gewoonlijk zat.
Daarbinnen vond hij hem, op zijn vertrouwde plek,
en in de hoek zijn vrienden, genietend van het vat.

Slechts twee waren er aanwezig
de held Automedon en ook Alkinoos, Ares' zoon.
Na het nuttigen van z'n avondmaal sprak de snelvoetige snedig:
"vooruit, vrienden, maak mijn tafel schoon!".

Toen kwam de trotse Priamos binnen,
Achilles' weerzinwekkende handen kuste hij honderduit,
de oude grijsaard was niet geheel bij zinnen
want net die handen moordden toch zijn zonen uit?!

Zoals verbazing de kijker overvalt bij het gerucht
dat een man, getroffen door verblinding,
in eigen land een man vermoordt en vlucht
elders heen, waar hij spreekt over zijn bevinding,

hij komt er bij een vermogend man,
in wiens huis hij blijven kan.
Zo kon ook Achilles zijn ogen niet geloven
dat de oude man zijn dode zoon kwam roven.

Ook de twee anderen waren verbluft
en wisselden een beduusde blik.
De grijsaard begon te spreken, naast groot vernuft
klonk ingetogen mee, zijn stilgedempte snik.

Zijn wanhoopswoorden klonken als volgt:
Achilles, aan een god gelijk, gedenk uw oude heer,
die zit thuis, zielsalleen verloren, door buren achtervolgd,
hij echter kan zich tenminste verheugen op uw terugkeer.

Ik daarentegen, behoor tot de verliezende partij,
Ares heeft vele van mijn zonen de grond ingeboord.
maar erger nog, hij die enig was voor mij,
die hebt gij gewetenloos vermoord.

Omwille van hem ben ik tot u gekomen, in hoogsteigen persoon
een onmetelijke losprijs in de hand
om van u vrij te kopen, Hektor, mijn zoon,
die gij deed bijten in het zand.

Heb toch erbarmen, en leg nu op de lijkbaar
mijn zoon, door u vermoord, meedogenloos wreed
want ik heb gedaan wat geen ander ooit deed:
ik strekte m'n handen uit naar een moordenaar.

zo sprak hij, en Achilles werd tot schreiens toe bewogen
door d'oude mans meelijwekkende betoog.
Bij beiden vloeiden de tranen terstond uit de ogen
vanwege de onmenselijke pijn die hen te zwaar woog

Priamos weende luid om Hektor, zijn geliefde
terwijl hij aan ineengekrompen aan Achilles' voeten lag
de ander nu eens om zijn vader dan weer om Patroklos, zoals het hem beliefde.
Uit zijn vertrek weerklonk hun hartverscheurende beklag.

Maar weldra waren Achilles' tranen droog,
en de zin naar schreien was hem vergaan.
Dus hij stond op en hielp ook de oude koning staan.
Terwijl grote deernis voor die grijsaard hem bevloog.

Terstond begon hij tot hem te praten:
"Miserabele, durft gij u hier te vertonen,
onder de ogen van de man die gij wel moet haten,
de moordenaar van zoveel van uw zonen?!

Uw hart moet wel van ijzer zijn gemaakt,
maar ga nu zitten en laat rusten uw oude benen,
Want hoe diep het noodlot ons ook heeft geraakt,
Het zal niet baten nog langer hartverscheurend te wenen.

Dit was namelijk een verderfelijke Godenwens:
slechts een leven in droefheid gunden zij de mens,
maar zelf leven zij vrij en zonder zorgen,
en altijd is hun gemoed luchtig als de lentemorgen.

Want nu staan er in Zeus' Paleis twee vaten,
gevuld met de dingen die hij ons schenkt:
het een is gevuld met al wat mensen haten
het ander is van glansrijk succes doordrenkt.

Voor sommige mensen mengt hij deze twee,
zij ondervinden af en toe veel verdriet,
en nu en dan zijn ze zeer tevree,
maar klagen mogen zij zeker niet!

Want voor minder fortuinlijke mannen,
put hij slechts uit een van de twee kannen,
namelijk het vat gevuld met kwaad.
Voor deze mensen is er niets dat nog baat:

zo'n ziel zal op de aarde nimmer rust vinden,
en langzaam zal verdriet zijn geest omwinden,
gedoemd is hij om in leed en honger te dolen,
en van alle liefde en vriendschap wordt hij bestolen.

Laten wij nu Peleus' als voorbeeld bekijken
Mijn vader, de roemrijke man die mij heeft verwerk.
Vanaf zijn geboorte wouden de goden hem verrijken,
Met geluk, rijkdom, een godin als vrouw, en mateloos respect.

Maar ook zijn verhaal heeft een schaduwkant,
daar hem slechts één zoon werd gegeven,
die dan nog spoedig zou verdwijnen uit zijn leven,
en zou sterven, ver van hem, in een vreemd land.

En aanschouw nu ook uw eigen levensbalans:
Wij Grieken horen veel geruchten over uw vroegere geluk,
Zo kon niemand u overtreffen, in zonen en rijkdom niet althans.
Nee, in vervlogen dagen kon uw fortuin niet meer stuk.

En nu valt het onheil ook u onverbiddelijk te beurt,
Maar zoek toch geen rede, bij de Goden ligt de schuld!
Nu wordt het zand rond Troje dagelijks bloedrood gekleurd,
En is uw goedommuurde stad in dood en verdriet gehuld.

Dus, beste man, wees toch niet zo triest,
want het is zo dat gij uw verstand verliest,
Wees sterk! U moet Loslaten en Verdergaan,
Want uw tranen, hoe bitter ook, zullen Hector niet  terug doen staan.

De godgelijke grijsaard Priamos antwoordde hem aldus:
"Gebied mij niet te zitten op uw troon, o Achilles, door Zeus bemind,
zolang Hektor hier onbegraven ligt! Dus laat hem vrij, en wel gezwind,
opdat ik hem met eigen ogen kan aanschouwen
en aanvaard dan ook, als blijk van mijn vertrouwen

het fabelachtige fortuin dat ik u schenken zal,
geniet ervan in uw vaderland, zo lang verlaten,
u heeft immers mijn oude ogen toegelaten
de zon te zien en míj te leven, bovenal."

Bars en met boze blik gaf Achilles de oude man ten antwoord:
"Tart mij toch niet langer, grauwe grijsaard,
dacht u dan dat ik niet zou bedenkenuw zoon zaliger genadelijk te schenken?

Mijn minnelijke moeder, die mij heeft gebaard,
aan de oude zoute zee ontsproten,
is immers reeds gekomen als Zeus' bode,
en mij is niet ontgaan dat één der snode goden
u onverdroten heeft geleid tot bij de Griekse boten.

Want geen sterveling, al was hij bovenmatig levenskrachtig,
bezit in de vervaarlijke vlakte 't vermogen
t' ontsnappen aan de wachters wakkere, wakende ogen
en te verschuiven de dwarsliggers mijner deuren, zwaar en machtig.

Vertoorn mij toch niet, in mijn reeds zo groot verdriet,
opdat ik je niet naar Hades zend, die niemand ooit ontziet.
Omwille van je smachtende snikkende smeken kan ik je niet doden
zonder te breken het gebod van de god der goden.

Angst omsloot 's mans droeve, duistere hart
en hij schikte zich in Achilles bitt're woorden vol smart.
Peleus' zoon sprong met leeuwenkracht naar buiten
en niet alleen, maar samen met beide kornuiten:
de onversaagde helden Automedon en Alkimos,
door Achilles 't meest geroemd na Patroklos
die hem ontstolen was -o zijn vriend, zijn groot geluk-
ja zíj bevrijdden de runderen van onder 't zware juk

en brachten binnen de bode die Priamos had vergezeld,
verzochten hem te zitten op de bank, binnenshuis, in plaats van in de tuin
en ontlaadden de goedgebouwde wagen van het fabelachtige fortuin
dat de oude vader vreugdeloos had neergeteld voor Hektor, de grote Held.

Twee hagelwitte linnen doeken en goedgeweven jassen
lieten zij op de wagen liggen, opdat Achilles het felbegeerde lijk
in blanke, reine stof zou kunnen schenken, eerder dan in 't slijk,
en twee slavinnen beval hij de dode man te zalven en te wassen.

Hij legde Hektor's stoffelijke resten uit het zicht
opdat het hart van d'oude man zijn smart niet lossen zou
bij 't zien van zijn uitzonderlijke zoon, zo dapper en zo trouw
en daarbij zijn eigen hart - voor de woeste wraak gezwicht-

in woede zou ontsteken, en ondanks 't gebod van de god der goden
die oude, trieste Priamos terstond zou doden...
De slavinnen deden wat ze moesten doen:
wasten en zalfden het lijk in olie, in goed fatsoen.

Ze hulden hem in linnen doeken en een chiton,
Achilles hief hem op met veel krachtsvertoon
en legde Hektor haast teder op de lijkbaar,
en met zijn vrienden op de wagen, want hij woog zwaar.                                                                         

 

  1. Odyssee

 Aanhef

Bezing mij o Muze,
de sluwe snode, zwervende man
die Trojes trotse fort ten gronde richtte
en in menig stad zijn geest verlichtte;
die de zee hield in haar onverbiddelijke ban

en evenzo de smart in zijn zwartgallige hart,
want hij wou voltallig huiswaarts keren
maar hoe hij ook de dreiging trachtte af te weren
zijn makkers hadden in dwaasheid volhard.

Zij hadden hun hongerige magen immers gestild
met hooggeboren Helios' heilige runderen
en die bestrafte dit goddeloze plunderen
met een lange lijdensweg op zeeën wild.

Muze, godin van goddelijk geslacht,
die wij ten alle tijden prijzen
verhaal ons nu vandaar, zoals u placht
Odysseus' roemrijke reizen.

 De Cyclopen

Muze, bezing mij de listigheid,
die de goden aan Odysseus schonken,
waardoor zijn naam wijd werd verspreid,
daar zijn listen in sluwheid uitblonken.

Muze, bezing mij het bekende verhaal,
van Odysseus en de cycloop,
waar hij, na schipbreuk andermaal,
Polyphemus grot binnensloop.

Muze bezing mij dit vanaf het moment,
waarop onze held op Scheiria is gestrand,
en spreekt met Alkinoos, ons allen bekend,
die vraagt: "Vreemdeling, hoe zijt gij hier beland?"                                                                                                                    

Ze voeren langs het eiland der cyclopen,
maar op zo'n rijkdom hadden ze niet kunnen hopen,
dus wou Odysseus terstond weten,
door welk volk het eiland werd bezeten.

Dus koos hij twaalf mannen uit,
en ging onbevreesd aan land,
de rest voer weg in zijn schuit,
zodat hij leek te zijn gestrand.

Maar geen mens trof hij er aan,
slechts een grot, met schapen gevuld,
waar hij zonder schrik wou binnengaan,
zijn hart reeds van nieuwsgierigheid vervuld.

Zijn vrienden zeiden "wij willen hier niet zijn",
maar Odysseus beval hen te zwijgen,
want hij hoopte in ruil voor zijn goede wijn
talrijke gastgeschenken te krijgen.

Maar die hebzucht kwam hem duur te staan,
want de bewoner bleek niet zo vrijgevig,
dat gaf die cycloop hen goed te verstaan,
hij kwam binnen en schreeuwde hevig                                                                  

Hierop volgde geen woord maar een daad,
Toen Polyphemus twee man bij de nek vatte,
en Odysseus' hart vulde zich met haat,
Toen hun bloed tegen de muren opspatte,

De rest van de lichamen trok hij uiteen,
en deed zich te goed aan het vlees,
Odysseus vrienden zaten als van steen,
verstijfd door een verlammende vrees.

Maar de slaap kreeg de cycloop in zijn ban,
en de mannen zeiden' we doden hem nu meteen!',
maar Odysseus weerhield hen daarvan;
de grot was verzegeld met een loodzware steen.

En bij het kraaien van de ochtendhaan,
deed hij zich weer aan twee man te goed,
ze konden hem slechts machteloos laten begaan,
waardoor ze verloren, alle hoop en alle moed.

Na het opschrokken deze twee helden,
molk hij zijn prachtige schapen vlug,
hij joeg ze naar de uitgestrekte velden,
en rolde de sluitsteen terug.

De wijn vloeide rijkelijk door zijn keel,
maar misschien een tikkeltje te veel,
want de zoete slaap maakt hem buit,
en de zoete wijn braakte hij uit.

Toen zag Odysseus schoon zijn kans,
en greep met zijn vrienden de houten lans,
ze doopten hem in de vlammen, zo hoog,
en doorboorden polyphemus' ene oog.

Luide kreten kaatsten tegen de wand,
en de mannen zette het op een lopen,
hij smeet de spies bruusk aan de kant,
en riep de andere cyclopen:

De blinde cycloop verrolde 's ochtends de steen,
hij dacht dat Odysseus zou vluchten en wel meteen,
daarom lag hij te wachten bij de uitgang van de spelonk,
maar hij vergat dat Odysseus in sluwheid uitblonk.

Want deze had weer een plan bedacht,
ze klampten zich namelijk vast aan schapenvacht,
zo werden ze gedragen tot buiten de grot,
en had Odysseus de cycloop weer bedot!

Gelukzalig renden zij weg van dat verderfelijk oord,
en brachten zichzelf en de gestolen schapen aan boord,
snel sloegen zij de zee schuimend wit,
en als laatste riep Odysseus nog dit:

Polyphemus! Als een nieuwsgierige mens jou ooit vraagt,
Welke naam de held, die jou heeft verslagen, draagt,
zeg dan: het was de zoon van Laërtes, alom fameus,
de stedenverwoestende held, de listige Odysseus!

Het weerzien met Penelope

De bezonnen Penelope testte hem met een snode list:
Zijn massieve bed , gemaakt uit twee verstrengelde stronken
Moest naar buiten worden verplaatst, hoewel de wortels in de grond waren verzonken
Gelukkig was het zo dat hij alles over die onmogelijke taak  wist.

Eindelijk had ze door dat haar man was thuisgekomen,
Ze vertelde hem dat de goden hun samenzijn hadden gestolen.
Zelfs de wonderschone Helena werd de liefde ontnomen.
Zo deden ze ook Odysseus zonder haar ronddolen.

Zoals schipbreukelingen ontsnapt aan de dood , zich verblijden
Zo ook  vonden de geliefden hun geluk terug.
De machtige Athene kreeg medelijden,
Ze liet de nacht nog even blijven

De prachtige roosvingerige Dagenraad vertoefde nog even in het Oosten.
De bedachtzame Odysseus vertelde haar over de waarzeggers dromen,
Maar eerst wou hij zijn geliefkoosde vrouw nog even troosten.
Ze praatten over alles wat er maar bij kon hen opkomen.