De tijd 26/05/2012: De hervormingsplannen van het secundair onderwijs

Pleidooi voor elitarisme
Ine Renson, De Tijd, 26/5/12

‘Eenheidsworst. Opoffering van de sterke leerlingen voor de zwakke.’  Bij leerkrachten van de klassieke colleges en ouders groeit de weerstand tegen de hervormingsplannen van minister van Onderwijs Pascal Smet voor het middelbaar onderwijs. Verslag vanuit het Gentse jezuïetencollege Sint-Barbara.

Sobere klaslokalen. Spartaans ingerichte gangen. Aan de muur geen frivoliteiten. Wel ingelijste klasfoto’s, rijen ver. Van 1833 tot nu. Van op de foto’s kijken retoricastudenten uit vervlogen tijden me aan met een strakke, serieuze blik. Een eindeloze cadans van intelligentie in vest en broek die hier de voorbije eeuwen is uitgevlogen. Het vat nog altijd de sfeer in het Gentse Sint-Barbaracollege, een van de zeven Jezuïetencolleges in Vlaanderen.

Elitair, zeggen velen. Degelijk en klassiek, repliceren ze zelf. Dat laatste is het zeker. Sint-Barbara werd opgericht in 1833 door de paters jezuïeten en werkt tot vandaag op basis van hun drie pedagogische pijlers: intellectuele excellentie, sociale dienstbaarheid en een nadruk op het culturele door grondige studie van literatuur en kunst. De meeste leerlingen - of beter, hun ouders - kiezen voor Latijn in het eerste jaar. Ze komen hier om intellectueel te worden uitgedaagd.

Maar die hele traditie komt nu op de helling te staan. Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet (s.p.a) zet deze weken in Brussel alle zeilen bij om zijn blauwdruk voor de lang aangekondigde hervorming van het secundair onderwijs in Vlaanderen voor het zomerreces af te ronden. Het decreet wil hij tegen het einde van de legislatuur in 2014 door het parlement krijgen.

Wat daarna gebeurt, is niet minder dan een revolutie: het onderscheid tussen ASO, TSO, BSO en KSO wordt afgeschaft. In de eerste twee jaren volgen alle leerlingen in grote lijnen hetzelfde algemeen vormende programma. Pas vanaf 14 jaar wordt gedifferentieerd. Niet langer tussen types onderwijs, maar tussen vijf studiedomeinen: taal en cultuur, wetenschap en techniek, kunst en creatie, welzijn en maatschappij, economie en maatschappij. In die brede domeinen kunnen leerlingen dan kiezen voor eerder abstracte richtingen (zoals economie-wiskunde) of eerder praktische (zoals boekhouden). Dat continuüm wordt idealiter in dezelfde school aangeboden. Geen sprake meer van richtingen die ‘beter’ zijn dan andere. Weg dus met het watervalsysteem, en het bijbehorende stigma.

De motivatie voor die grondige vertimmering van het middelbaar onderwijs, is dat te veel kinderen in Vlaanderen mislukken of zittenblijven. Omdat ze onder invloed van hun ouders eerst ‘zo hoog mogelijk mikken’, om dan later vaak ‘af te dalen’ naar minder abstracte of meer technische richtingen. Zo krijgen vooral het TSO en het BSO niet de sterke, gemotiveerde leerlingen die het verdient.

Ook het relatief hoge aantal leerlingen dat zonder diploma het middelbaar verlaat (15%) en de vaststelling dat de kloof tussen de sterkste en de zwakste leerlingen nergens zo hoog is in Europa als in Vlaanderen, is de minister een doorn in het oog. Ons onderwijs bestendigt sociale ongelijkheid, zegt Smet, en dat wil hij met een radicale structuurverandering doorbreken.

‘Het ergst denkbare.’ De verbeten trek rond de mond van Dirk Vermassen, al 33 jaar leraar Nederlands en Engels in Sint-Barbara, spreekt boekdelen. Hij is, net zoals een groot deel van zijn collega’s, niet te spreken over Smets plannen. ‘Kunt u het zich al voorstellen, dat wij hier ook technische opleidingen moeten organiseren? Wij hebben dat niet in onze vingers. Het zou onze aandacht afleiden van onze focus om - laat ons een kat een kat noemen - het maximum te halen uit de intellectueel sterkere leerlingen. En het heeft bovendien geen enkele zin. Door een verregaande egalisatie van de eerste graad creëer je een soort eenheidsworst, waar noch de sterkere noch de zwakkere leerlingen bij gebaat zijn. De eersten zullen zich vervelen, de laatsten gefrustreerd afhaken.’

Masochisme

In de scholen en bij ouders groeit de ongerustheid. Alsof iedereen nu pas beseft wat te gebeuren staat. Vooral in de vele ASO-colleges en -lycea die Vlaanderen rijk is, doemen dikke vraagtekens op boven de speelplaatsen. Petities tegen de hervormingen gaan het internet rond. Zeker nu ook de koepel van het katholieke onderwijs (‘de Guimardstraat’) zich deze maand op een visiecongres achter de grote principes van de structuurhervorming heeft geschaard. ‘Verraad’, noemt Vermassen het.

In leraarskamers en op discussiefora zit de schrik erin. ‘De lat komt lager te liggen voor iedereen.’ ‘Kiezen op 14 is veel te laat.’ Velen wijzen met afschuw naar de belabberde onderwijsresultaten van landen die een gelijkaardige hervorming doorvoerden, zoals Engeland of Frankrijk. En naar het VSO, dat ook uitging van brede oriëntatie in de eerste jaren, maar uiteindelijk is afgevoerd wegens onwerkbaar en te duur. In de jaren zeventig verzette de Guimardstraat zich mordicus tegen het verplicht invoeren van het VSO in alle scholen. Vandaag lijkt de koepel, goed voor 75 procent van de leerlingen, zich wel te vinden in het idee van een uitgestelde studiekeuze. Waardoor de hervorming er zo goed als zeker komt.

Vrijblijvend is het niet. ‘Het Vlaamse onderwijs scoort erg hoog in internationale rankings. We zijn daar trots op. Het getuigt van een verregaand masochisme om een goed systeem zo radicaal te willen veranderen. Zonder garantie dat het resultaat beter is.’ Pierre Vinck, de directeur van Sint-Barbara, praat bedachtzaam. Zijn rust verbergt de verbijstering die hij naar eigen zeggen voelt over het gemak waarmee alle fundamenten op de schop gaan.

‘Is er een probleem met dat watervalsysteem?’ Zeker. Maar dat ligt bij de ouders, die hun kind tegen alle adviezen in toch naar een richting sturen die het niet aankan. Je moet dus de perceptie veranderen, niet de structuur van het onderwijs. Want laat ons wel wezen. Een richting die links op het continuüm zit, met veel wiskunde of Latijn, zal nog steeds als ‘sterker’ worden beschouwd dan de praktische variant aan het andere uiteinde. Welke naam je daar ook aan geeft.’

‘En is er een probleem als 15 procent van de jongeren geen diploma secundair behaalt? Absoluut. Maar zet dan nog meer middelen in om die zwakkere leerlingen bij te werken. Doe dat bij voorkeur in scholen en richtingen waar zij tot hun recht komen. Voor mijn part mogen ze daarvoor een deel van de middelen verschuiven van het ASO naar het TSO en het BSO, ook al zal dat voor veel ASO-collega’s controversieel klinken. Maar alsjeblieft, raak niet aan het recht van de sterkere leerlingen om maximaal te worden uitgedaagd. Een oplossing voor de probleemleerlingen mag niet ten koste gaan van de sterkere. Want in een gemeenschappelijke eerste graad komt de lat lager te liggen. Onvermijdelijk.’

Vinck en zijn collega’s krijgen met die stelling bijval van de Itinera-econoom Ivan Van de Cloot, die twee jaar geleden de aanval inzette op dat hele hervormingsplan. Volgens Van de Cloot is niet alleen de remedie verkeerd, het zit al scheef bij de diagnose. ‘Smet wil iets doen aan de kloof tussen sterke en zwakke leerlingen. Waarom? Omdat de zwakke leerlingen in Vlaanderen slecht onderwijs krijgen? Dat blijkt niet uit onderzoek. Of viseert hij de kloof op zich? In dat laatste geval is je doel de kloof dichten. Dat is een ideologisch uitgangspunt: alle kinderen zo veel mogelijk gelijk laten presteren. Wat volstrekt belachelijk is. Want kinderen zijn nu eenmaal niet gelijk. Het doel moet zijn om elk kind volgens zijn capaciteiten het beste onderwijs te geven. Maar er mogen - er moeten zelfs - verschillen zijn. Uit internationale studies blijkt dat een goed onderwijssysteem meer verschillen kent dan een slecht. Omdat je de sterke ook toelaat zo ver mogelijk boven zichzelf uit te stijgen.

’Als je vaststelt dat er problemen zijn met de (sociaal) zwakkere leerlingen,’ vervolgt hij, ‘dan moet je die goed in kaart brengen. Wat blijkt: het probleem zit vooral bij allochtone kinderen, vanwege de taalachterstand. Daar moet je op werken. En dat doe je niet door het secundair te hervormen. Dat is een probleem van het lager en het kleuteronderwijs.’

Cosmetische operatie

Niet elk kind is gelijk. Maar ze zullen wel hetzelfde programma moeten volgen. Om te vermijden dat je de lat lager legt voor iedereen, willen de hervormers inzetten op differentiëring. Sterke kinderen moeten worden uitgedaagd met modules die ‘verdiepen’, terwijl bij zwakke leerlingen zal worden ingezet op ‘remediëring’ om hen te helpen bijbenen. De katholieke koepel heeft hier een eigen voorstel: binnen die algemene eerste graad werken met ‘beheersingsniveaus’ die tegemoetkomen aan de verschillende noden en capaciteiten.

In beide scenario’s, zeggen de tegenstanders, heb je een probleem. Vande Cloot: ‘Differentiëren in een heterogene groep wordt een ramp. Zelfs nu, in relatief homogene klassen, lukt het al niet, blijkt uit inspectieverslagen. Voor leerkrachten is dat heel belastend. Voor leerlingen stigmatiserend en frustrerend. Het tweede scenario is dan weer helemaal te gek. De katholieke koepel wil wel hervormen, maar dan toch weer niet helemaal. Met die beheersingsniveaus verandert in de praktijk weinig. Met andere woorden: we gaan ontzettend veel energie en geld steken in een onderwijshervorming die uiteindelijk vooral een cosmetische operatie is. Terwijl je dat geld beter zou besteden aan een echte oplossing voor de problemen die er zijn. Taalachterstand wegwerken. En het technisch onderwijs opwaarderen, eerst en vooral ook in de beeldvorming.

’De vraag is inderdaad hoe het in de praktijk allemaal zal werken. Als scholen het liefst het hele scala aanbieden in één domein - zoniet heeft de hervorming geen zin, dan moeten ze ook allemaal over de toestellen of labo’s beschikken voor de technische of praktijkvakken. Gaat men dan alles vermenigvuldigen?’ Chris Smits, secretaris-generaal van de katholieke koepel en organisator van de visiedag van 8 mei, wuift de vraag weg. ‘Zo radicaal zal het niet worden.’ Hoe je dan wel het verschil maakt met de huidige situatie, blijft onduidelijk. Hij hamert erop niet op dezelfde lijn te zitten als de minister. Maar de koepel heeft wel het principe van de brede eerste graad en de vijf studiedomeinen onderschreven.

Het kabinet van minister Smet wil niet ingaan op concrete vragen, ‘om het delicate overleg met de onderwijskoepels niet te schaden’. Het is in die mist van onduidelijkheid dat scholen en ouders nu in het verweer gaan. Maar eigenlijk is het al te laat. Als de koepels mee zijn, en de coalitiepartners geven hun fiat, dan wordt het plan in de loop van het komende decennium uitgerold. ‘Een plan dat ons dictatoriaal wordt opgedrongen’, meent leraar Dirk Vermassen, die zelfs een allusie maakt op de Culturele Revolutie in het China van Mao Zedong.

Die vergelijking is sterk. Maar tegenstanders zien wel een onderhuidse ideologische component in het verhaal. Het onderwijsdebat zit op de breuklijn tussen de maatschappelijke nood aan excellentie versus de nood aan inclusie. Kinderen zo veel mogelijk laten uitblinken, of verschillen wegvlakken. Dat laatste, zeggen tegenstanders verbitterd, is de impliciete bedoeling van de hervorming.

Latijn als keuzevak

Bovendien, klinkt het in Sint-Barbara, voelen colleges als het hunne, die nog radicaal mikken op een brede intellectuele en culturele vorming, de hete avond van het utilitarisme in de nek. Al jaren. Vermassen: ‘In het nieuwe jargon gaat het over ‘competenties verwerven’. Onderwijs moet direct renderen. Zo moet je ook de aanval op het Latijn interpreteren, die jaren geleden is ingezet. Leerlingen moeten geen tijd verliezen met het leren van een dode taal. Terwijl wij, als humanisten, juist geloven in de algemeen vormende waarde die op lange termijn vruchten afwerpt.’

Vermassen ziet het in zijn eigen lessen Nederlands en Engels, zegt hij. ‘Leerlingen uit de Latijnse denken op een andere manier. Ze gaan anders om met taal. Ze hebben geleerd iets op te bouwen op lange termijn. Ze hebben geconcentreerd naar teksten gekeken. Ze hebben een onvoorstelbaar analytisch vermogen opgebouwd, dat hen in hun verdere studies en zelfs hun verdere leven goed van pas komt. Hetzelfde geldt voor wiskunde. Maar dat soort denken wordt bedreigd. In het nieuwe systeem krijgen leerlingen nooit de kans zich zo grondig te verdiepen in die abstracte vakken als vandaag. Latijn wordt een keuzevak in de eerste graad. Het wordt nog verder uitgehold dan nu al het geval is. Dan mist het elk doel.’

De maatschappelijke implicatie is niet te onderschatten. Uiteindelijk gaat het hier ook over de vraag welk soort onderwijs we willen. Mag het onderwijs nog aan ‘Bildung’ doen? Mogen scholen nog inzetten op een ontplooiing van de persoonlijkheid en algemeen vormende waarden die op lange termijn vruchten afwerpen? Het onderwijs moet zich aanpassen aan de snel veranderende wereld, zeggen de hervormers. Het moet inzetten op vaardigheden. Met een boutade: leerlingen moeten niet zozeer kennis opdoen, dan wel weten waar zie die kennis in onze informatiemaatschappij kunnen vinden. Dirk Vermassen vindt dat larie. ‘Het onderwijs moet zich niet aanpassen aan de maatschappij. Leerlingen moeten er hun plaats in vinden, maar ze moeten er niet klakkeloos in meedraaien. Ik lever liever leerlingen af die voor zichzelf kunnen denken, dan leerlingen die meteen inzetbaar zijn in het productiesysteem. Die instrumentele visie op onderwijs, ook dát is een sluipend gif. Ik huiver ervan.’

Mag er nog elitarisme zijn? Het is een provocerende vraag. Als het gaat over intellectueel elitarisme, dan wel, vindt Vande Cloot. ‘Dan móét onderwijs zelfs elitair zijn. In die zin dat je telkens probeert het beste uit kinderen te halen, ongeacht hun afkomst.’

¨Maar is het niet vreemd, poneert Vinck, dat het tegenwoordig not done is nog voor een intellectuele elite op te komen? ‘Kinderen die uitblinken in sport of kunst, krijgen speciale regimes. Die worden langs alle kanten gestimuleerd. Maar kinderen die excelleren op intellectueel vlak, mogen opgeofferd worden in de dictatuur van het gelijkekansenonderwijs.’

Je ziet dat nu al gebeuren in de klas, zegt Vermassen. ‘Het mag niet te moeilijk zijn, want iedereen moet mee kunnen. De lat komt sowieso lager te liggen door meer nadruk te leggen op vaardigheden dan op kennis. Iemand die veel met film en muziek bezig is, kan zonder problemen de helft halen voor een vak als Engels. Maar zijn kennis van de taal is dan wel nihil. Hetzelfde voor Frans. Die kennis is de voorbije decennia spectaculair achteruitgeboerd. Ook op deze school. Omdat wij verplicht worden methodes te gebruiken die slechte resultaten opleveren. Dat is een verkeerd begrepen democratisering van het onderwijs. Het eindresultaat is een diploma dat minder waard is. Het is boerenbedrog. En de hele maatschappij zal door dat kwaliteitsverlies slechter af zijn.’

Puinhoop 

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Uiteindelijk zullen ouders en scholen een weg zoeken om ‘de dictatuur van de eenheidsworst’ te omzeilen, voorspellen de tegenstanders van de hervorming. Het valt ook niet uit te sluiten dat bijvoorbeeld de jezuïtencolleges zich afscheuren van de Guimardstraat en een privéstatuut opnemen. ‘Wat ik uitdrukkelijk niet wens’, zegt directeur Pierre Vinck. ‘Maar het risico bestaat. En dan wordt het pas echt elitair. Dan zit je mijlenver van wat je beoogde. Terwijl het nu net de sterkte is in Vlaanderen dat je hoogstaand gesubsidieerd onderwijs hebt dat voor iedereen toegankelijk is.’

Terwijl ik door de kale gangen van het Sint-Barbaracollege wandel, welt het beeld op van het Britse onderwijssysteem. Daar werd het idee van de ‘comprehensieve middenschool’ ingevoerd in het gesubsidieerde onderwijs. Dat is een puinhoop geworden. Wie degelijk onderwijs wil, gaat naar de privé en betaalt. De woorden van Pierre Vinck echoën na. ‘We moeten toch goed opletten. Met jongeren en hun toekomst experimenteer je niet. We dreigen iets in te voeren waar we nog lang spijt van zullen hebben.’

S45C-212053115160 S45C-212053115170 S45C-212053115171