De Pelgrim

Ignatius van Loyola is de stichter van de jezuïetenorde. Als algemene overste stichtte hij de eerste jezuïetencolleges. Toch schreef hij nooit een uitgewerkte pedagogie. Om zijn pedagogische intuïtie te leren kennen, is zijn leven een goede leidraad. In dit hoofdstuk gaan we er uitgebreid op in.

Loyola

Ignatius wordt geboren in 1491 in het Spaans-Baskische  dorpje Azpeitia, waar de familie Loyola een kasteel heeft. Zijn doopnaam Iñigo wordt pas vanaf 1537 gelatiniseerd tot Ignatius. Zijn ouders behoren tot de oude landadel. Ze krijgen dertien kinderen: vijf meisjes en acht jongens. Iñigo is de jongste zoon. Wanneer zijn moeder sterft, is Iñigo vijf jaar oud. Daarom wordt hij toevertrouwd aan een boerenvrouw die zich over hem ontfermt en hem ook wat Spaanse woordjes bijbrengt. Zijn moedertaal blijft echter het Baskisch. Fierheid en onstuimigheid zijn de natuurlijke karaktertrekken van de familie. Ze kenmerken ook de jonge Iñigo.
Op vijftienjarige leeftijd begint hij een diplomatieke opleiding aan het hof van de rentmeester van de Spaanse koning in het Castiliaanse Arévalo. Hij geraakt er in de ban van het ridderlijke leven en ontpopt zich tot een ijdel kereltje. Hij schuwt de amoureuze avonturen niet en grijpt snel naar de wapens.
Toch zijn de eerste tien jaar van Iñigo’s diplomatieke opleiding heel leerrijk: hij leert er hoofse manieren, de vaardigheid om zich correct uit te drukken in woord en schrift en hij wordt er doordrongen van waarden als moed en trouw. In 1517 treedt hij als page in dienst bij de hertog van Najera, die ook onderkoning van Navarra is. In deze nieuwe omgeving verstevigt hij zijn engagement en wordt hij steeds meer gewaardeerd.

 

Pamplona

In 1521 belegeren twaalfduizend Franse soldaten de Baskische stad Pamplona. Frankrijk wil de provincie Navarra weer in handen krijgen. In  opdracht van de onderkoning rekruteert Iñigo soldaten uit zijn geboortestreek om de stad te verdedigen. Hij komt er net op tijd aan, want de stedelingen achten de Franse overmacht te groot en willen al capituleren. Zo ook Martin, een broer van Iñigo, die met zijn troepen aan de nakende omsingeling weet te ontkomen. Iñigo wil echter niet vluchten: capituleren ervaart hij als ontrouw aan de onderkoning. Hij overtuigt zelfs de commandant van de vesting om tot de laatste man te vechten. Tegen beter weten in worden de kanonnen in gereedheid gebracht. Na zes uur vechten is het pleit beslecht: de Fransen slaan een bres in de vestingwal en palmen de stad in. Bij die actie verbrijzelt een kanonskogel één van Iñigo’s benen, ook het andere been vertoont een kwalijke wonde. Omwille van zijn moed schenken de Fransen hem gratie. Zwaar gewond mag hij naar zijn thuishaven weggevoerd worden. Op Pinkstermaandag 1521 eindigt zo zijn militaire carrière met een nederlaag.

 

Terug Loyola…

Ondanks de hevige pijn valt het herstel nog mee: de beenderen groeien weer aan elkaar. Slechts één bot steekt wat ongelukkig onder zijn knie uit, wat het dragen van galante ruiterlaarzen onmogelijk maakt. Iñigo kan deze onvolmaaktheid niet verwerken en laat het bot wegzagen.Daardoor zal hij zijn hele verdere leven licht hinken. Maanden lang duurt de herstelperiode. Iñigo begint zich te vervelen en zijn loopbaan ligt in puin.
Graag had hij nu wat ridderromans ter beschikking gehad om de tijd te doden. De huisbibliotheek biedt echter slechts een Leven van Christus door Ludolf van Saksen en de Legenda Aurea, een boek over de levens van heiligen door Jacobus de Voragine. Geleidelijk aan vindt hij toch smaak in die lectuur. Nu eens verwijlt hij uren lang in gedachten bij ‘wereldse dingen’ – hij is verliefd op een Spaanse prinses - dan weer blijft hij in gedachten bij zijn religieuze lectuur. Hij stelt zich de verstervingen van heiligen als Dominicus en Franciscus voor: hoe zou hij die zelf beleven? Pas na lange tijd wordt hij opmerkzaam voor de gevoelens die deze gedachten opwekken: hij merkt op dat de wereldse fantasieën hem uiteindelijk dor en ontevreden achterlaten, terwijl hij bij de andere gedachten opgewekt blijft, ook nadat hij ze heeft losgelaten. Ignatius begint na te denken over dit verschil en ziet er een vingerwijzing in van God voor de doorstart van zijn leven.  Het opmerkzaam worden voor de relatie tussen gedachten en gevoelens noemt hij later het begin van de ‘onderscheiding der geesten’ die in de Geestelijke Oefeningen een zo cruciale rol vervullen.

Vanuit deze lectuur- en reflectietijd neemt Iñigo eind 1522 een belangrijk besluit: hij zal Loyola verlaten en in navolging van de heiligen een pelgrim worden om zo dichter bij Christus te komen. Hij heeft een nieuw doel en een nieuwe uitdaging gevonden in zijn leven.

 

Manresa

Hij vertrekt nu op een muilezel – echte ridders rei- zen te paard – naar Barcelona om er in te schepen voor het Heilig Land. In de abdij van Montserrat ruilt hij zijn ridderkleren in voor een eenvoudig plunje en ook zijn muilezel en dolk schenkt hij weg. Door monniken wordt hij ingewijd in een meer methodisch gebed, zoals dat door de abt, Garcia Jiménez de Cisneros, in zijn boek Oefeningen in het geestelijk leven wordt beschreven.
Vóór zijn inscheping naar het Heilig Land wil Iñigo zich nog terugtrekken in gebed. Op tien kilometer van het Catalaanse Montserrat, in de buurt van Manresa, zondert hij zich af in een grot. Tien maanden duurt deze tijd van gebed en innerlijke strijd met vele ups en downs. Hij wordt gekweld door een aantal vragen die hem niet loslaten: Kan hij dit nieuwe leven wel volhouden? Wat met zijn gelofte van zuiverheid? In welke mate bezwaart zijn verleden zijn geestelijk leven? Telkens opnieuw strijdt hij met deze aanvechtingen. Hij bidt en vast, soms een week lang. Al zijn vragen vertrouwt hij toe aan zijn biechtvader. Op sommige momenten is hij de wanhoop nabij en valt zelfs ten prooi aan de bekoring van zelfdoding.
Toch haalt de ‘goede geest’ het, zoals Iñigo het formuleert in zijn notities. Uiteindelijk worden genade en troost sterker dan wanhoop. Het heeft inderdaad zo lang geduurd om echt te beseffen dat God anders en liefdevoller naar hem kijk dan hij dat zelf doet. Pas in dat besef kan zijn spiritueel leven openbloeien. De tien maanden in Manresa worden Ignatius’ grote leerschool. Hij vat het later ooit zo samen: “In die tijd deed God met hem wat een schoolmeester met een kind doet: Hij onderwees hem”. De drang om zichzelf te pijnigen door overdreven boetedoening verdwijnt omdat hij zich blij en innerlijk bevrijd voelt. Nu weet hij zich meer betrokken op anderen. Hij wil ‘zielen helpen’. Hier ontstaat zijn apostolische roeping.

Het is dan, tijdens een septemberwandeling langs de oevers van de Cardoner, dat hij de diepste er- varing van zijn leven meemaakt. Omdat we deze ervaring bepalend kunnen noemen voor Iñigo’s verdere leven en voor het christelijk humanisme van de jezuïetencolleges, citeren we voor een keer uitvoeriger:

“Op een keer ging hij uit devotie naar de kerk die iets meer dan een mijl van Manresa ligt  en naar ik meen San Paolo heet. De weg er naartoe loopt langs een rivier. In godvruchtige gedachten verzonken ging hij onderweg even zitten met zijn gezicht naar de rivier, die daar in de diepte stroomde. Terwijl hij daar zat, begonnen hem de ogen van het verstand open te gaan. Niet dat hij een visioen zag, maar hij kreeg inzicht in veel dingen en verwierf veel kennis, zowel op het terrein van het geestelijke, als inzake geloof en letteren. Dat ging met zo’n sterke verlichting gepaard, dat hem alle dingen nieuw schenen. Het is onmogelijk van het inzicht dat hij toen verwierf de bijzonderheden uit te leggen -  wel waren het er veel. Het enige dat ervan gezegd kan worden, is dat hij een grote helderheid in het verstand ontving. Zelfs al zou hij alle hulp bij elkaar tellen, die hij gedurende tweeënzestig jaar van God ontvangen had, dan nog had hij de indruk dat dat bij elkaar niet zoveel zou zijn als dat van die ene keer”.

In deze sleuteltekst ligt de bron van het ignatiaans charisma: ‘God vinden in alle dingen’.
Ignatius blijft zijn eigen ervaringen neerschrijven, maar beschrijft nu ook zijn ervaringen in het helpen van anderen. Deze notities zullen langzaam uitgroeien tot een boek dat hij de titel ‘Geestelijke Oefeningen’ meegeeft. Het boeiende van dit geschrift is dat zijn individuele ervaringen zo beschreven worden dat ze ook voor anderen nuttig en herkenbaar zijn.

Het Heilig Land

Eind februari 1523 verlaat hij Barcelona en vaart naar Italië. Hij krijgt in Rome de toelating van de paus om naar het Heilig Land te reizen. Te voet trekt hij over de Apennijnen naar Venetië om daar de oversteek te wagen. Er heerst een pestepidemie en velen mijden hem omdat hij er nog altijd te mager uitziet. Met moeite verkrijgt hij in Padua een gezondheidsattest om Venetië binnen te mogen. De vele avonturen en tegenslagen sterken de pelgrim in de overtuiging dat hij begonnen is aan zijn eigen navolging van de arme Christus.

Eind augustus 1523 komt hij in het Heilig Land aan. Hij bezoekt er alle plaatsen waar hij verlangend naar uitgekeken heeft. Het leven van Jezus lijkt hem hier grijpbaar nabij. Iñigo zal steeds met heimwee aan deze tijd terugdenken. Toch is het pelgrimerend bezoek niet zo eenvoudig, want het land werd het jaar voordien door de Turken veroverd, wat al te openlijke christelijke devotie bemoeilijkt. Hij wil er blijven, maar wordt net als de andere pelgrims door de paters franciscanen, die het beheer van de heilige plaatsen hebben, terug naar Spanje gestuurd. De terugtocht verloopt nog gevaarlijker en duurt veel langer dan gewoonlijk, maar uiteindelijk komt hij via Venetië toch weer veilig in Barcelona aan. Iñigo is nu drieëndertig jaar oud. Zijn eerste doel is bereikt.

Studies in Spanje

Iñigo beseft dat zijn intellectuele vorming erg rudimentair is gebleven. Als hij ook voor anderen iets wil betekenen, doet hij er goed aan om zijn studies wat systematischer aan te pakken. Omdat hij niet eens Latijn kent – een absolute vereiste in die tijd – begint hij ijverig Latijnse woordjes te studeren. Op school zit hij samen met jongens van twaalf die het wel grappig vinden dat zo een ‘oude man’ op de schoolbanken zit. Ignatius doet over deze studie twee jaar. Hij doet er ook een boeiende ontdekking: telkens als hij ’s avonds wil studeren, wordt zijn studieplanning gedwarsboomd door ervaringen van geestelijke ontroering. Wanneer hij er achter komt dat hij op die manier nooit vooruitgang zal boeken in zijn studies, ontmaskert hij die ‘ontroeringen’ als een soort ‘valse troost’. Hij negeert vanaf dan die zogenaamde ‘troost’ en wijdt zich resoluter aan de regelmatige werkzaamheid. Na twee jaar acht hij zijn kennis van het Latijn voldoende om naar de universiteit te gaan.
In 1526 schrijft hij zich in aan de pas gestichte universiteit van Alcalá de Henares, niet ver van Madrid. Het loopt vooreerst niet zo vlot omdat hij te veel vakken ineens kiest en bovendien veel tijd besteedt aan geestelijke gesprekken. Dan al trekt zijn authentieke persoonlijkheid andere mensen aan die hem om raad komen vragen. Die gesprekken zijn niet naar de zin van de Inquisitie. Die gebiedt hem eerst zijn studies af te werken alvorens over geestelijke aangelegenheden te praten.
Iñigo gehoorzaamt, maar hij verlaat Alcalá en besluit aan de vermaarde universiteit van Salamanca een nieuwe start te maken. Ook hier ondergaat hij hetzelfde lot. Hij moet zelfs een tijdlang de cel in. Hoewel de Inquisitie niets fouts vindt in wat hij zegt, wordt hem elke vorm van zielzorg verboden. Een nieuwe mislukking dreigt, maar Iñigo laat niet los: dan maar naar Parijs om er aan één van de meest gereputeerde universiteiten van Europa te studeren. Met de geldelijke hulp van weldoeners kan hij er één jaar financieel rondkomen. Hij laadt zijn studieboeken op een ezeltje, trekt in volle winter de Pyreneeën over en komt begin februari 1528 in Parijs aan. Het wordt de start van een merkwaardig avontuur.

Parijs

Parijs is in de zestiende eeuw een centrum van intellectueel leven. Het kruim van de Europese intelligentsia studeert er. Spanningen van godsdienstige en nationalistische aard zijn er in overmaat, maar ook humanisme en kritisch wetenschappelijk onderzoek vinden er hun weg. Al snel komt Iñigo tot de bevinding dat zijn kennis nog verre van voldoende is. Hij begint weer aan de studie van het Latijn, deze keer anderhalf jaar lang. Intussen slinken zijn dukaten in snel tempo en moet hij een armzalig onderkomen zoeken ver van de universitaire gebouwen. Weldra moet hij ook bedelen om rond te komen. Tijdens de zomermaanden gaat hij in Vlaanderen op zoek naar Spaanse kooplui die hem financieel willen ondersteunen. Tot in Londen moet hij gaan bedelen, maar uiteindelijk verzamelt hij voldoende geld om zijn doel en ambitie te verwezenlijken: master worden aan de Parijse universiteit.

In oktober 1529 – Iñigo is ondertussen achtendertig jaar – kan hij eindelijk zijn intrek nemen in het Collège Sainte-Barbe, een studiehuis met strenge tucht en goede professoren. Drie en een half jaar studeert hij er filosofie en in 1533 wordt hij master in de filosofie. Twee jaar later behaalt hij ook de titel van magister artium, een master in de letteren. Nu is de weg vrij om aan theologische studies te beginnen. Hij kiest voor de thomistische richting van de dominicaner orde die in zijn tijd als de meest solide geldt. Twee jaar later sluit hij ook deze studie met succes af.

Op weg naar een nieuwe orde

In zijn autobiografie is Ignatius zeer karig met commentaar over zijn studies en de inhoud ervan. Het is vooral de geestelijke evolutie die hem bezighoudt en die gaat in Parijs onverminderd door. In het Collège Sainte-Barbe geraakt Iñigo bevriend met Pierre Favre uit Savoye en met de Navarrees Franciscus Xaverius. De vriendenkring breidt zich uit. Zes van hen doen in 1533 onder begeleiding van Iñigo de Geestelijke Oefeningen. Het individuele geestelijk avontuur van Iñigo wordt stilaan een collectief avontuur. Met zijn zevenen besluiten ze op 15 augustus 1534 naar Montmartre te gaan en er de volgende geloften af te leggen : armoede zodra de studies afgesloten zijn, zuiverheid, de zielen helpen en op bedevaart gaan naar het Heilig Land. Pierre Favre, de enige priester onder de zeven studenten, viert er de mis. Ze stipuleren ook dat, mochten ze niet in Jeruzalem geraken of mochten ze er niet blijven, ze naar Rome zouden gaan om zich aan de paus aan te bieden opdat hij hen zou zenden waar de nood het hoogst is. Deze bepaling zal hen er later toe brengen een nieuwe orde te stichten.
Omdat Iñigo wegens een galkwaal – nog steeds het gevolg van zijn overdreven vasten te Manresa – op doktersadvies naar Loyola moet terugkeren om te rusten en omdat nog niet iedereen de studies heeft afgesloten, spreken ze af om begin 1537 samen te komen in Venetië. Daar willen ze inschepen naar het Heilig Land. Intussen hebben nog drie andere gezellen zich bij hen aangesloten.
De inscheping moet echter herhaaldelijk uitgesteld worden en de gezellen helpen in de tussentijd in een paar ziekenhuizen. Nu ook een nieuwe oorlog ontbrandt tussen Venetië en de Turken, moeten de tien gezellen noodgedwongen helemaal afzien van hun plan om naar het Heilig Land te gaan. Vanaf dan laat Iñigo zich steeds vaker Ignatius noemen, uit devotie voor de kerkvader Ignatius van Antiochië. Op 24 juli 1537 worden Ignatius en de andere gezellen tot priester gewijd. Nu hun belofte van een bedevaart niet kan worden ingelost, besluiten ze, zoals ze in Montmartre hebben afgesproken, naar Rome te gaan en hun diensten aan de paus aan te bieden. Zelf wacht Ignatius nog een jaar lang om zijn eerste mis op te dragen, omdat hij zich wil voorbereiden om aan Maria “te vragen hem bij haar Zoon te willen plaatsen”.
Vlak voor de poorten van Rome besluit Ignatius om te bidden in een kerkje in het gehucht ‘La Storta’. Hij ervaart hier een grote geestelijke kracht die alleen vergelijkbaar is met de genade die hij aan de rivier de Cardoner heeft ervaren. De kern van deze ervaring is het vervulde verlangen om Christus in alles na te volgen en steeds dichter bij Hem te zijn. In een sterke visionaire ervaring “voelde hij zo’n verandering in zijn ziel en zag hij zo duidelijk dat God de Vader hem bij Christus zijn Zoon plaatste, dat hij er gewoonweg niet aan zou durven twijfelen dat God de Vader hem bij zijn Zoon plaatste”.

Rome

Het Vaticaan is in die tijd geen toonbeeld van heiligheid. Vorige pausen hebben schandalen verwekt, het schisma met de protestanten is nog niet verteerd en er is nood aan een diepgaande hervorming. Met de nieuwe paus Paulus III (1534- 1549) kan men eindelijk op die hervorming hopen. Hij verwelkomt de tien gezellen hartelijk en belooft hen over hun vragen na te denken. In afwachting van het pauselijk besluit nemen ze hun intrek in een ruim gebouw in het centrum van Rome. De winter van 1538-39 is uiterst streng in de stad en er heerst hongersnood. De gezellen nemen uiteindelijk driehonderd kinderen op en voorzien hen van voedsel. De giften stromen toe en de gezellen kunnen zelfs een hospitaal openen.

In de vasten van 1539 gaan Ignatius en zijn gezellen in beraadslaging. Twee vragen staan op het programma van dit gezamenlijke onderscheidingsproces: willen ze één groep blijven vormen, en hoe zal die groep verenigd blijven als de paus hen naar verschillende plaatsen in de wereld zendt? Zou de gehoorzaamheid aan één van hen de band kunnen zijn die hen met elkaar verbonden houdt? Het antwoord op beide vragen zal, na drie maanden gebed en gesprek, unaniem positief zijn. Hier wordt de nieuwe orde gesticht. Ze stellen vol hoop hun project voor aan de paus. Op 27 september 1540 komt dan het verlossend pauselijk besluit: ze mogen officieel een nieuwe orde stichten. De orde zal anders zijn dan vorige ordes, want de gezellen willen niet in kloosters wonen, geen aparte kledij dragen en niet gebonden zijn aan koorgebed. Ze willen helemaal in de wereld leven. In 1541 wordt Ignatius de eerste algemene overste en belooft hij aan de paus om Constituties te schrijven zoals dit gebruikelijk is bij een nieuwe orde.

Ignatius als algemene overste

Met zijn eerste besluit als algemene overste wil hij de vele sociale wantoestanden die er in Rome heersen, wegwerken. Hij richt een Marthahuis op om prostituees op te vangen en om  voor hen een nieuwe levensweg mogelijk te maken. Ook een weeshuis wordt opgericht en Ignatius zelf geeft, in een wat olijk klinkend Italiaans, catechismus aan volkskinderen. Al snel zijn de ‘hervormde priesters’, zoals ze in de volksmond genoemd worden, zeer populair. Ignatius moet smeken opdat enkele van de gezellen niet tot bisschop zouden worden benoemd. Hij wil niet dat jezuïeten benoemd worden in kerkelijke hoogwaardigheidambten. Ignatius stuurt de gezellen wel naar alle uithoeken van de wereld, daar waar hij de nood het hoogst acht. Zijn goede vriend Franciscus Xaverius vertrekt zo voorgoed naar het Verre Oosten, waar hij een echte volksmissionaris wordt. In 1548 krijgt het boekje van de Geestelijke Oefeningen een pauselijke goedkeuring. In 1550 is er een eerste redactie van de Constituties, de grondregels van de orde.
In deze tijd zien ook de eerste jezuïetencolleges het licht. Tussen 1548 en 1556 ontstaat een nieuw type college dat weldra zeer populair wordt. Tijdens Ignatius’ leven worden drieëndertig colleges opgericht. De pedagogie is gestoeld op de Parijse studiemethodes die Ignatius tijdens zijn studies had leren kennen, de zogenaamde ‘modus parisiensis’. Toch zullen de jezuïeten ook eigen accenten leggen in de studiemethodes. Beslissend hiervoor is de inbreng van de jezuïet Jeronimo Nadal die samen met andere gezellen het eerste jezuïetencollege zal oprichten in Messina (Sici- lië) in 1548. Gaandeweg beïnvloeden de inspiratie van de Geestelijke Oefeningen en het jeugdig enthousiasme van de eerste jezuïetenleerkrachten de gebruikelijke scholastieke pedagogie, die zo evolueert naar een originelere en succesvolle onderwijsmethode. Vijftig jaar later leidt deze pedagogische ervaring tot een eerste systematische schriftelijke neerslag: de Ratio Studiorum van 1599.

Als algemene overste onderhoudt Ignatius een drukke correspondentie: 6812 brieven van hem blijven bewaard. Zijn leiderschap vergt talloze uren van geduldig schrijven en overwegen. ’s Nachts echter klimt Ignatius geregeld op het dak van de residentie om er naar de sterren te kijken.
Het ontroert hem telkens weer en het houdt het perspectief wijd en open.
In feite herneemt hij er een gewoonte uit zijn jeugd. Zo laat hij jaren later over zijn herstelperiode in Loyola optekenen: “Een gedeelte van zijn tijd besteedde hij aan het schrijven, een gedeelte aan gebed. De grootste troost vond hij in het kijken naar de hemel en de sterren. Dit deed hij dan ook vaak en langdurig, want daarbij voelde hij een grote kracht in zich om onze Heer te dienen”.
De Baskische sterrenhemel heeft plaats gemaakt voor de hemel boven Rome, maar het perspectief is nog even wijds en de uitdagingen worden alsmaar groter.
Op 30 juli 1556 wordt Ignatius ernstig ziek. De volgende ochtend is hij ijlend. Terwijl men vlug naar de paus gaat om een laatste zegen te vragen, sterft Ignatius in alle stilte en alleen. In 1622 wordt Ignatius door de kerk heilig verklaard. Zijn orde telt dan vijftienduizend leden, over heel de wereld verspreid. Het aantal jezuïetencolleges bedraagt dan al 444.