Beweging 4: Non multa sed multum

04 smaak geven

In navolging van Ignatius streeft de ignatiaanse pedagogie naar leerervaringen waarin leerlingen smaak vinden. Dit veronder- stelt voldoende ruimte voor innerlijke verwerking van de leerstof (4.1).
Hiermee wordt de intrinsieke motivatie gestimuleerd, die de uiterlijke motivatie van punten of diploma’s overstijgt (4.2).
Actief en ervarend leren is gebaat bij afwisseling in werkvormen (4.3).
Maar het volhouden, zelfs als de leerstof taai en saai is, is ook een aspect van ervarend leren (4.4).

Dit alles vraagt om een studiekader gebouwd op gezag, stilte en ademruimte (4.5).
De intrinsieke motivatie wordt versterkt als we het verlangen van leerlingen weten op te wekken en erop inspelen (4.6).

 

4.1 “Innerlijk voelen en smaken”

In de Geestelijke Oefeningen nodigt Ignatius de retraitant uit om de aangeboden meditatiestof innerlijk aan te voelen en te beleven. Ignatius schat het ‘zelf smaken’ hoger in dan lange uiteenzettingen of preken van de begeleider. Daarom beveelt hij aan om altijd beknopt de stof van een oefening te geven en de persoon vervolgens zelf aan het werk te zetten. Wie immers…

… zélf overdenkt en overlegt, en aldus iets vindt waardoor hij de [voorgehouden stof] beter begrijpt of aanvoelt, […] zal meer smaak en geestelijke vrucht vinden dan wanneer de zin [ervan] uitvoerig wordt ver- klaard door wie de oefeningen geeft. Want niet het vele weten verzadigt […] de ziel maar wel het innerlijk voelen en smaken.

Hier zien we de oorsprong van het adagium ‘non multa sed multum’ (‘geen kwantiteit, maar kwaliteit’). Het gaat bij Ignatius eerder om ‘innerlijk voelen en smaken’, dan om het vele weten. Zo ervaart hij dat zelf op zijn ziekbed in Loyola en bij zijn beproevingen in Manresa. Hij wordt een ander mens op grond van zijn ervaringen en de reflectie daarop.

4.2. Intrinsieke motivatie

Het komt er dus op aan om leerlingen smaak bij te brengen, hen niet te overladen met kennis en bij hen een passie aan te wakkeren. “We moeten de leerlingen geen indigestie geven, maar wel honger en smaak”, zei de jezuïetleraar pater Vanderghote s.j. ooit. In de Spaanse grondtekst van de Geestelijke Oefeningen staat ‘gustar’, waar ons Vlaamse ‘goesting’ van afgeleid is. Goesting geven is het eigenlijke doel en niet het verzadigen; interesse oproepen en ze niet in de kiem smoren. Vandaag wordt dat ‘intrinsieke motivatie’ genoemd, die de uiterlijke motivatie van punten of diploma’s overstijgt.  Lesgeven en opvoeden mogen geen voortdurende strijd zijn. Dit is niet alleen uitputtend, maar wijst ook op een verkeerd uitgangspunt. De motor van het leerproces is immers niet enkel de leerkracht. Pas als ook de leerling de smaak te pakken krijgt, komt alles goed op gang.

4.3. Actief leren

Ignatiaans leren gebeurt dus vooral vanuit ‘ervaring’, en de reflectie daarop. Van die ‘ervaring’ is pas sprake wanneer de leerling zich betrokken voelt bij het leerproces en uitgedaagd wordt om zelf en samen met anderen te ontdekken. Een leerkracht heeft daarom een variatie aan werkvormen achter de hand om actief leren te stimuleren. Hij maakt tijd en ruimte vrij voor persoonlijke verwerking en reflectie. Middelen daartoe zijn: zich toespitsen op een probleem en dat uitdiepen, verbanden zoeken, betekenissen ontdekken, zich inleven in gedachten en gevoelens van anderen, open staan voor schoonheid, oog krijgen voor het wonder... Kortom: niet alleen ‘van buiten’, maar ook ‘van binnen’ leren. Ignatiaanse vorming wil hoofd, hart en handen aanspreken. Het krachtigst zijn die lessen waar verbeelding en creativiteit worden aangesproken. Activiteiten als excursies, toneel en muziek komen niet ‘bovenop’ het lesgeven, maar maken wezenlijk deel uit van de vorming.

4.4. Volhouden

Het bovenstaande neemt niet weg dat wij leerlingen uitdagen om vol te houden wanneer de opdrachten bij hen als taai, saai en repetitief overkomen. Leerkrachten hoeven geen entertainers te zijn en mogen gerechtvaardigde inspanningen vooropstellen.  Ook volhouden en een goed resultaat nastreven, is een vorm van ‘ervarend leren’. Leerlingen halen er in hun latere leven alleen maar voordeel uit.

4.5 Een studiekader: veiligheid, gezag, stilte en ademruimte

Inspanningen op studievlak vragen om een veilig kader waarin ook stilte en gezag aanwezig zijn. Van school tot school kan de invulling hiervan verschillen. Voorbeelden hiervan zijn de vaste rituelen bij het begin van een lesdag en een voorspelbare regelmaat van overhoringen.Een school moet een plaats zijn waar stress en gejaagdheid vermeden worden. Om het mooie en het goede te ervaren, is immers tijd en ruimte nodig. Een evenwichtige planlast voor leerlingen en leerkrachten, en de nodige rust in de schoolorganisatie dragen bij tot de ademruimte waarin ervaring, reflectie en gebed makkelijker hun plaats en ritme vinden.

4.6 Op het spoor van het verlangen

Een laatste aspect van ervarend leren is het inspelen op het verlangen van een persoon. Ignatius laat iedere geestelijke oefening beginnen met de vraag: ‘wat verwacht ik van deze oefening, welk inzicht, welke verdieping van mijn gevoel?’  Het verlangen geeft richting aan het verdere groeiproces.  Zo is het ook in het onderwijs. Intrinsieke motivatie wordt gestimuleerd als we ingaan op de positieve verlangens die leerlingen hebben ten aanzien van de leerstof. Meestal gaat daaraan vooraf dat we zelf eerst de interesse van leerlingen en het verlangen naar meer inzicht bij hen wakker maken. Elke vakleraar kan met zijn eigen kennis en enthousiasme leerlingen daartoe stimuleren. De gedrevenheid van de leerkracht en de vragen van de leerlingen vormen een motiverende cirkelbeweging. Ze zijn de motor van het leerproces. Eens leerlingen de smaak van het inzicht te pakken hebben, groeit het verlangen om nog fijner te leren proeven.