Beweging 2: Cura Personalis

02 Zorg dragen

Aan Ignatius van Loyola danken de jezuïetencolleges hun ambitie om met elke leerling een weg van persoonlijke groei te gaan (2.1).
Dit vraagt van leerkrachten en opvoeders dat ze begeleiders zijn met persoonlijke aandacht en zorg voor hun leerlingen. In ig- natiaanse termen heet dat ‘cura personalis’. Deze aandacht uit zich in de studiesfeer en in de persoonlijke sfeer. Het vraagt om aansluiting bij de beginsituatie van de leerling en om differen- tiatie in het leerproces (2.2).
We bemoedigen leerlingen waar het tegenzit en we helpen hen hun beperkingen te aanvaarden (2.3).
Onze aandacht houdt voldoende afstand, ruimte en vrijheid in. Het uiteindelijke resultaat van onze inspanningen geven we uit handen (2.4).
De zorg voor elke leerling is een vorm van onderscheidende liefde (‘discreta caritas’) (2.5).

 

2.1 De ervaring van Ignatius

Kort na zijn bekering, tijdens zijn verblijf in Manresa, gaat Ignatius door een periode van innerlijke strijd. Door gebed en door reflectie op wat zich in hem afspeelt, komt hij uiteindelijk tot innerlijke bevrijding en vrede. In zijn autobiografie vat hij deze periode als volgt samen: “In die tijd deed God met hem wat een schoolmees- ter met een kind doet: Hij onderwees hem”3. Ignatius ervaart dat hij van Hogerhand met aandacht gevolgd en begeleid wordt. En hij ziet deze aandacht en begeleiding als eigenschappen van een goede schoolmeester. Het is dus volgens Ignatius de taak van een leraar om leerlingen met aandacht en zorg in hun ontwikkeling te begeleiden. Dit wordt in de ignatiaanse traditie ‘cura personalis’ genoemd.2.

2.2 'Cura personalis’

Elke leerling in de klas brengt zijn eigen levensverhaal mee, zijn culturele achtergrond, zijn ervaring van geluk en verdriet, zijn talenten en zwaktes, zijn leerstijlen en vormen van intelligentie. ‘Cura personalis’ betekent dat we naar best vermogen aandacht schenken aan iedere leerling apart, met het oog op diens persoonlijke groei.

Dit uit zich concreet in een weloverwogen differentiatie. Het is een oefening in aandacht voor de individuele vraag of nood van een leerling of voor de dynamiek van een klas. We willen interesses positief stimuleren en talenten aanmoedigen. Hierin passen zowel de begeleiding en bemoediging van zwakkere leerlingen als de aangepaste uitdagingen voor sterkere leerlingen. Zo vraagt Ignatius in de Geestelijke Oefeningen om zichaan te passen aan “leeftijd, vorming of begaafdheid” en niemand zaken te geven “die zij niet rustig kunnen dragen en waaruit zij geen voordeel halen”. Het criterium is altijd “wat kan helpen en doen vooruitgaan”.

2.3. Bemoedigen

‘Cura personalis’ houdt tevens de kunst in om een leerling net daar te bemoedigen waar het nodig is. Zo geeft Ignatius het ook aan voor de begeleiding van de Geestelijke Oefeningen. Als het moeilijk gaat of stroef loopt, zal de begeleider “zich niet hard en bars tonen maar zacht en vriendelijk”. Hij zal “moed en kracht geven om verder te gaan”5. Zacht en vriendelijk zijn hier de sleutelwoorden. Dit is het tegengestelde van hardvochtig of bruut. Het gaat om een veilige schoolcultuur waar we elkaar aanmoedigen, zonder cynisme of spot, een cultuur zonder angst voor de leraar of voor klasgenoten.  Bemoedigen houdt ook in dat we zowel zwakke als sterke leerlingen begeleiden in het leren omgaan met hun grenzen en falen. Een vorm van preventieve zorg en nazorg bij mislukking is daarom aangewezen.  Persoonlijke begeleiding en bemoediging op school zijn in de eerste plaats een taak van leerkrachten en an- dere opvoeders. Soms is er echter nood aan hulp van buitenaf en moeten we doorverwijzen. Ook de ouders, onze partners in de opvoeding, hebben hier een bijzondere rol te vervullen.

2.4. Uit handen geven

Zoals de begeleider een steun is voor wie de Geestelijke Oefeningen doet, zo is ook de leerkracht of opvoeder iemand die luistert, raad geeft en bemoedigt. Dit veronderstelt nabijheid, maar ook een gezonde afstand. Ignatius stelt dat wie de Oefeningen begeleidt, “niet naar één kant [moet] afwijken of neigen, maar als de wijzer van een weegschaal in het midden blijven”6. De begeleider mag dus geen richting of keuze opdringen of aanpraten.  Zo is het ook in de pedagogie. Iedereen die kinderen opvoedt, weet het maar al te goed: hoe kinderen zich ontwikkelen, hebben we nooit echt in de hand. Leerlingen zijn niet ‘maakbaar’. In de leerling is immers die andere instantie aanwezig die door Augustinus ‘de innerlijke Leermeester’7 wordt genoemd. Het belangrijkste, het gesprek van de leerling met die ‘Leermeester’, gebeurt buiten ons om. Uiteindelijk is opvoeden erop gericht zichzelf overbodig te maken. Het resultaat van onze opvoedingsinspanningen geven we daarom uit handen.

2.5. Opvoeden is liefhebben – ‘Discreta caritas’

De bemoedigende aandacht en de zorg voor leerlingen kunnen we verbinden met wat Ignatius ‘discreta caritas’ noemt8. Dit komt tot uiting in individuele aandacht binnen en buiten het lesgebeuren en de school. Het woord ‘discreta’ betekent dat deze aandacht ‘onderscheidend’ is: ze gaat steeds na wat de leerling het best kan doen vooruitgaan en groeien.  Elke mens is de moeite waard om bemind te worden. We hoeven dit niet te verdienen. Dit betekent dat elk van ons ook mag falen. We moeten niet volmaakt zijn om graag gezien te worden.